Taalklas stage herhaling

Taalklas
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
CoachingPraktijkonderwijsLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Taalklas

Slide 1 - Tekstslide

Welke datum is op de kalender omcirkelt?

Slide 2 - Open vraag

17 januari
schrijf de datum korter op!

Slide 3 - Open vraag

Schrijf de lange datum op:
01-06-2005

Slide 4 - Open vraag

Welke datum is het vandaag?

Slide 5 - Open vraag

Het warmste seizoen is...
A
de zomer
B
de winter
C
de herfst
D
de lente

Slide 6 - Quizvraag

welk seizoen is het nu?
A
herfst
B
zomer
C
winter
D
lente

Slide 7 - Quizvraag

Wat betekent het volgende woord?
Het seizoen
A
Een groot bos in een warm gebied op aarde
B
Een van de vier delen van het jaar
C
Het ophouden te bestaan van een plant of dier
D
Waar geen vlees of vis in zit

Slide 8 - Quizvraag

Welk seizoen komt er VÓÓR de lente?
A
Herfst
B
Winter
C
Zomer
D
Het voorjaar

Slide 9 - Quizvraag

Stage
stage-woorden.
sectoren 
vaardigheden en competenties 

Slide 10 - Tekstslide

Schrijf woorden op die met stage te maken hebben.................

Slide 11 - Open vraag

Wat is de bedoeling van stage lopen?
A
Lol maken
B
Leren en oriënteren
C
Bedrijven leren kennen
D
Bijbaantjes zoeken

Slide 12 - Quizvraag

Wat is een collega?
A
Iemand die werkt
B
Iemand die stage loopt
C
Iemand die bij hetzelfde bedrijf als jij werkt
D
Iemand die schoonmaakt

Slide 13 - Quizvraag

Bij een externe stage... :
A
Loop je stage op je school
B
Loop je stage buiten school (bijv. winkel)

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent 'interne stage'?
A
Stage in de school
B
Stage buiten de school

Slide 15 - Quizvraag

Een leidinggevende is......?
A
een waterleiding die water geeft
B
een chef, een directeur
C
een leerling of een docent
D
geen van deze antwoorden is goed

Slide 16 - Quizvraag

Welk woord hoort niet bij stage?
A
Praktijklokaal
B
stagedocent
C
werkvloer
D
stagecontract

Slide 17 - Quizvraag

Sector
Een sector is  een groep bedrijven die de zelfde soort werkzaamheden verrichten.

techniek                             groen
 horeca
zorg en welzijn
detail en dienstverlening



Slide 18 - Tekstslide

Als ik een probleem heb op stage...
A
ga ik zo snel mogelijk naar huis
B
app ik boos naar mijn stagedocent
C
los ik dat zelf wel op
D
vraag ik hulp aan mijn begeleider, collega of stagedocent

Slide 19 - Quizvraag

Iets waar je goed in bent.
Iets wat je goed kan

Bijvoorbeeld:
- Ik ben geduldig
- Ik kan glazen wassen
_ Ik ben een doorzetter
Vaardigheden/competenties

Slide 20 - Tekstslide

Iets wat je moet doen op je werk/stage/school

- Kassa draaien
- op Numo werken
- dozen uitpakken
- sommen maken

Taken

Slide 21 - Tekstslide

Klanten helpen
A
Taak
B
Vaardigheid/ competentie

Slide 22 - Quizvraag

Geduldig zijn
A
Taak
B
Vaardigheid/ competentie

Slide 23 - Quizvraag

Vakken vullen
A
Taak
B
Vaardigheid/ competentie

Slide 24 - Quizvraag

woorden uit starttaal

Slide 25 - Tekstslide

4 generaties

Slide 26 - Tekstslide

4 generaties

Slide 27 - Tekstslide

Zelfde generatie???

Slide 28 - Tekstslide

sociaal netwerk

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Slide 31 - Video

Taken en competenties/vaardigheden

Slide 32 - Tekstslide

Kennis van het menu
A
Taak
B
Vaardigheid/ competentie

Slide 33 - Quizvraag

Snel en nauwkeurig werken
A
Taak
B
Vaardigheid/ competentie

Slide 34 - Quizvraag

Onkruid wieden
A
Taak
B
Vaardigheid/ competentie

Slide 35 - Quizvraag

Vragen???????

Slide 36 - Tekstslide