HV2 Adjectives/Adverbs

Adjectives & Adverbs
Bijvoeglijke naamwoorden & Bijwoorden
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Adjectives & Adverbs
Bijvoeglijke naamwoorden & Bijwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Wat zijn adjectives?

Adjectives zijn woorden die informatie geven over een noun (zelfstandig naamwoord = persoon of ding)


  • The weather is cold
  • We bought a red scooter
  • The teacher was angry
  • He has a big car


Slide 2 - Tekstslide

Which is the adjective?
The blue car drove really well.
A
blue
B
car
C
really
D
well

Slide 3 - Quizvraag

Which is the adjective?
I own a very brightly coloured wall.
A
very
B
brightly
C
coloured
D
wall

Slide 4 - Quizvraag

Wat zijn adverbs?

Adverbs zijn woorden die iets zeggen over een verb (werkwoord), adjective (bijvoeglijk naamwoord) of adverb (bijwoord)


  • He works slowly.
  • My computer is extremely slow.
  • This old computer works extremely slowly.

Slide 5 - Tekstslide

Which is the adverb?
The big man shouted angrily at the dog.
A
big
B
man
C
angrily
D
dog

Slide 6 - Quizvraag

Which is the adverb?
My friend is extremely irritating.
A
friend
B
extremely
C
irritating

Slide 7 - Quizvraag

Hoe verander je een adjective naar een adverb?

1. Meestal komt -ly achter de adjective:

careful - carefully, Quick - quickly

2. adjectives die eindigen op -ic krijgen -ally:

economic - economically

3. na consonant + y verandert de spelling:

happy - happily, angry - angrily

4. -ble verandert in -bly:

terrible - terribly, considerable - considerably

5. Sommige adverbs veranderen van vorm. Deze moet je leren:

good - well, true - truly

Slide 8 - Tekstslide

Uitzonderingen

1. De volgende adjectives veranderen niet van vorm wanneer ze een adverb worden:

hard, fast, early, late, long, high, low


2. Na de volgende werkwoorden krijg je geen adverb:

to feel, to look, to taste, to smell, to sound

Slide 9 - Tekstslide

Choose the correct adverb of

SWEET
A
sweet
B
sweetly
C
sweetilly

Slide 10 - Quizvraag

Choose the correct adverb of

BAD
A
bad
B
worse
C
badly

Slide 11 - Quizvraag

Choose the correct adverb of

CAREFUL
A
careful
B
carefully
C
carefuly
D
carefulily

Slide 12 - Quizvraag

Choose the correct adverb of

FAST
A
fast
B
fastly
C
fastilly
D
fastically

Slide 13 - Quizvraag

Choose the correct adverb of

ECONOMIC
A
economic
B
economicly
C
economically
D
economicilly

Slide 14 - Quizvraag

Choose the correct adverb of

HAPPY
A
happy
B
happyly
C
happelly
D
happily

Slide 15 - Quizvraag

Slide 16 - Link

Extra practise

Put the adjective or adverb in the correct form.

Only type the adjective/adverb, NOT the whole sentence.

Slide 17 - Tekstslide

This idea sounds (good).

Slide 18 - Open vraag

He speaks English (perfect).

Slide 19 - Open vraag

He worked very (good) today.

Slide 20 - Open vraag

The fair is held (annual).

Slide 21 - Open vraag

It was a (reasonable) price.

Slide 22 - Open vraag

Extra challenge

Translate the sentences to English.

Slide 23 - Tekstslide

Het ziet er niet goed uit.

(no contractions)

Slide 24 - Open vraag

Hij was erg ziek.

Slide 25 - Open vraag

Wij speelden snel gisteren.

Slide 26 - Open vraag

De schade was aanzienlijk.

Slide 27 - Open vraag

De computer werkte erg langzaam.

Slide 28 - Open vraag