TA 6 Thema 2, les 17 verleden tijd

doel:
Ik leer wat verleden tijd is en kan de regel toepassen.
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

doel:
Ik leer wat verleden tijd is en kan de regel toepassen.

Slide 1 - Tekstslide

verleden tijd
Iets dat in het verleden gebeurde.

Lang geleden: vorig jaar, vroeger
Kort geleden: gisteren, een uur gelden.

  • Wat deed jij gisteren?

Slide 2 - Tekstslide

voorbeeld
tegenwoordige tijd
Vandaag speel ik met Anne.

verleden tijd
Gisteren speelde ik met Anne.

Slide 3 - Tekstslide

voorbeeld
tegenwoordige tijd
Vandaag kook ik.

verleden tijd
Gisteren kookte ik.

Slide 4 - Tekstslide

voorbeeld
tegenwoordige tijd
Vandaag zoek ik een schat.

verleden tijd
Gisteren zocht ik een schat.

Slide 5 - Tekstslide

Sterke en zwakke werkwoorden
Een zwak werkwoord is te zwak om van klank te veranderen.

Een sterk werkwoord is sterk genoeg om van klank te veranderen.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

lopen (VT)
Ik.................
Wij.........................


spelen (VT)
Luuk.....................
De kinderen.....................

fietsen (VT)
De jongen...............
Opa en oma.................


gaan (VT)
Het meisje..............
De ouders.....................


Slide 8 - Tekstslide

Zijn jullie er klaar voor?!

Slide 9 - Tekstslide

Staat de zin in de tegenwoordige of verleden tijd?
Ik zong gisteren een liedje.
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 10 - Quizvraag

Staat de zin in de tegenwoordige of verleden tijd?

Het vliegtuig landde zojuist op Schiphol.
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 11 - Quizvraag

Staat de zin in de tegenwoordige of verleden tijd?
Ik til een zwaar gewicht op.
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 12 - Quizvraag

kopen
Dit is in de verleden tijd een......
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 13 - Quizvraag

Ik koop.
Zet deze zin in de verleden tijd.

Slide 14 - Woordweb

kopen (VT)
Mijn ouders..........

Slide 15 - Woordweb

rennen
Dit is in de verleden tijd een......
A
zwak werkwoord
B
sterk werkwoord

Slide 16 - Quizvraag

Ik ren.
Zet de zin in de verleden tijd.

Slide 17 - Woordweb

draaien
Dit is in de verleden tijd een......
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 18 - Quizvraag

draaien (VT)
De dansers..................

Slide 19 - Woordweb

Welke zin staat in de verleden tijd?
A
De juf legde mij een som uit.
B
De juf legt mij een som uit.

Slide 20 - Quizvraag

Welke zin staat in de verleden tijd?
A
Ik stuur een appje.
B
Ik stuurde een appje.

Slide 21 - Quizvraag

TEGENWOORDIGE TIJD
VERLEDEN TIJD
zitten
bakten
zweefde
leert
drinkt

Slide 22 - Sleepvraag

Ik kan zelf aan het werk met deze les over de werkwoorden/verleden tijd.

Slide 23 - Poll

GOED GEOEFEND!!!!

Slide 24 - Tekstslide