H3. Koning en parlement, 1814-1848

Lees de bron
1 / 69
volgende
Slide 1: Tekstslide
gesMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 69 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Lees de bron

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leg aan de hand van de bron uit wat de maker van het huis van Oranje vindt.

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


H3. Koning en parlement, 1814-1848


1. Door welke gebeurtenissen werd de ontwikkeling naar een democratische rechtsstaat bevorderd tijdens het koningschap van Willem I en Willem II?

- Koning willem I en de grondwet van 1815
- Verenigd Koninkrijk der Nederlanden 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.1 Oranje boven!

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Video

Deze slide heeft geen instructies

3.1 Oranje boven! 
  • Zoon van de laatste stadhouder (Willem V)
  • Hij werd gebruikt door de grote landen in Europa om een rol te spelen in een nieuw Europa nadat Napoleon werd verslagen. 

Want wat gebeurde er? 
  • 1789: Franse Revolutie
  • 1795-1813: Franse Tijd in Nederland 
  • 1813: Volkerenslag bij Leipzig: Napoleon verslagen. Veel Europese gebieden weer vrij, waaronder de Nederlanden. 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Restauratie: een Europees balans
Het Congres van Wenen (= Restauratie), 1814-1815.
De grootste Europese landen:
  • Groot-Brittannië
  • Oostenrijk
  • Pruisen
  • Rusland


wilden dat Frankrijk nooit meer de mogelijkheid zou krijgen om zo machtig te worden als onder Napoleon. Vooral de Britten wilden een ‘machtsevenwicht’: Geen enkel land op het Europese vasteland kon machtiger zijn dan een ander land.


Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verklaar waarom Nederland en België samengevoegd werden tot een Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Willem I
  • Zoon stadhouder Willem V wordt koning van Nederland (inclusief België en Luxemburg): koning Willem I
  • Eenheidsstaat blijft bestaan
  • Grondwet blijft bestaan: constitutionele monarchie
  • Parlement (Eerst en Tweede kamer)
  • Eerste kamer: benoemd door koning
  • Tweede kamer: benoemd door Provinciale staten, gekozen door provincie verkiezingen
  • Ministers leggen verantwoording af aan de koning

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

'Ik alleen beslis in alles' 
  • kon wetsvoorstellen 2e Kamer negeren (recht van initiatief)
  • 'Koninklijke Besluiten' :
  • geen goedkeuring parlement nodig
  • kon parlement ontbinden
  • gezag over leger/vloot en
  • koloniën/ buitenlandse zaken
  • benoemen en ontslaan ministers
  • invloed op benoeming rechters
  • Kreeg advies van Raad van State ... waar hij voorzitter van was en de leden benoemde. 




Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Hoe zag het bestuur van Nederland er uit 
tussen 1815-1848?

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk 
Maken van blz. 40 de opdrachten:
2, 3A, 5

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


H3. Koning en parlement, 1814-1848


Door welke gebeurtenissen werd de ontwikkeling naar een democratische rechtsstaat bevorderd tijdens het koningschap van Willem I en Willem II?
- Willem I en de Belgische Opstand
- Willem II in 24 uur van conservatief naar liberaal 
 


Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koninkrijk der Nederlanden
1815
Belgische Opstand 
1830
Uit ontvredenheid over bestuur koning Willem I komen de Belgen in Opstand en stichten een eigen staat

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zuidelijke problemen
Vanaf 1830 problemen voor Willem I door ontevreden Zuidelijk Nederland
  • Centralistische regeerstijl Willem I
    - Zuid-NL stemde tegen grondwet van 1815 
    - Nederlands officiële taal (Zuiden sprak overwegend Frans)
    - Zuid-NL overwegend katholiek vs. protestants noorden
  • Werkloosheid en hoge voedselprijzen leiden in 1830 tot rellen in Brussel. 
  • Willem I stuurt leger erop af --> leidt tot Opstand --> Belgische onafhankelijkheid. 
  • Tiendaagse Veldtocht (1831) leidt tot Franse interventie 
  • Pas in 1839 erkent Willem I de Belgische onafhankelijkheid
  • Afscheiding maakt grondwetswijziging noodzakelijk



Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De grondwetswijziging van 1840
2e Kamer dwingt de koning tot het volgende:
  1. Ministers kunnen strafrechtelijk vervolgd worden voor ambtsdaden die strijdig  zijn met grondwet
  2. 'Contraseign'. Iedere wet vereist handtekening van medeverantwoordelijke minister
  • Willem I stemt met tegenzin in: ziet dit als inperking van zijn macht. 
  • Ontstemt over de afscheiding, grondwetsherziening en wens te hertrouwen met een katholieke Belg, treedt Willem I in 1840 af. 
Akte van abdicatie Willem I 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Op weg naar een nieuwe grondwet (1)

Willem I trad in 1840 af --> zijn oudste zoon Willem II volgde hem op, hij kreeg met verschillende problemen te maken:
  • Lege staatskas doordat het leger 8 jaar lang in staat paraatheid was gehouden (i.v.m. Belgische Opstand)
  • Aardappeloogst mislukte in West-Europa in 1845-1848 --> gevolg: armoede, honger en sterfte
  • Handel ging achteruit --> gevolg: werkloosheid
  • Roep om meer democratie, een echte volksvertegenwoordiging
  • 1848: Overal in Europa ontstonden rellen en opstanden: mensen wilden verandering --> Willem II is bang voor revolutie in Nederland. 
Een aardappel getroffen door de aardappelziekte

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Revolutiejaar 
1848

  • Februari 1848: revoluties in Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland, Italië, enz.
  • De ‘erfgenamen van de Franse Revolutie’, de Liberalen, komen tot de conclusie: "Alles is weer hetzelfde als vóór de Franse Revolutie!"
  • Overal zitten er weer koningen op de Europese tronen en ondanks 'een grondwet' is er maar weinig democratie.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Paniek bij de vorsten
in heel Europa!

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Op weg naar een nieuw een nieuwe grondwet (2)
  • Op 13 maart verklaart Willem II: 'Ik ben in 24 uur van zeer conservatief zeer liberaal geworden'
  • Geeft Thorbecke opdracht tot een grondwetsherziening 
  • Grondwet 1848 ingegeven door zeer liberaal gedachtengoed

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
Maken opdracht 7
Lees: 3.5 De grondwet van 1848 en
3.6 Thorbecke en de klassieke rechtsstaat 

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


H3. Koning en parlement, 1814-1848


Door welke gebeurtenissen werd de ontwikkeling naar een democratische rechtsstaat bevorderd tijdens het koningschap van Willem I en Willem II?
- De grondwet van 1848
- Liberalisme en de klassieke rechtsstaat 
 


Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


3.5 De grondwet van 1848

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Hoe zag het bestuur 
van Nederland er 
vanaf 1848* uit?










*de meeste onderdelen zijn vandaag nog steeds geldig


Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

documentaire:
De grondwetswijziging van Thorbecke (3 minuten)

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 56 - Video

Deze slide heeft geen instructies

3.5 De grondwet van 1848

  • Macht aan het parlement: Tweede kamer direct gekozen, Eerste Kamer via Provinciale Staten
    - Recht van amendement: wijzigingen/aanvullingen aanbrengen in wetsvoorstellen
    - Recht van interpellatie: Kamerleden mogen ministers ter verantwoording roepen. Bij meerderheid in de Kamer moet de minister opdagen. 
    - Recht van enquête: recht om buiten de regering een onderzoek in te stellen naar het handelen van de regering  
  • Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers moeten verantwoording afleggen aan de Eerste, maar met name de Tweede Kamer
  • Koning onschendbaar: ministers aansprakelijk voor handelen van de vorst
  • Klassieke grondrechten: vrijheid van godsdienst, mening, pers, vereniging en vergadering
  • MAAR ...
  • Geen algemeen, maar censuskiesrecht
    'Politiek is voorbehouden aan het verlichte, vermogende deel der natie'. 
  • Met de grondwetswijziging van 1848 zorgde Thorbecke voor een modern parlementair stelsel, maar géén parlementaire democratie. Immers: niet iedereen mocht stemmen. 

Slide 57 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.6 Thorbecke en de klassieke rechtsstaat
  • Grondwet 1848 ingegeven door het liberalisme
  • Volgens Liberalen moest overheid zich zo min mogelijk met overheid bemoeien
    - defensie
    - openbare orde
    - onderwijs
    -rechtsspraak
    - onderhoud infrastructuur
  • Klassieke grondrechten opgenomen in de grondwet
    klassiek = iets uit vroeger, maar niet verouderd, een voorbeeldrol waardig'
  • Een staat die dit heeft noemen we ook wel een klassieke rechtsstaat

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

En nu...? 
  • Maken: opdracht 9
  • Maandag 15.00-16.00 Teams vragenuurtje
  • Dinsdag 8 juni 10.30-12.00 geschiedenistoets 

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
  • WAT?
Geef op basis van de grondwetfragmenten van 1815 en 1848 aan wat er veranderd is en wat hetzelfde gebleven is.

  • HOE?
Zelfstandig. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten op het gebied van: 
   -  De macht van de koning 
   -  De macht het parlement
   -  De rechten van het volk

  • KLAAR?
Maak opdracht 2 op het werkblad

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bestuur Nederland onder koning Willem I en II
Eenheidsstaat
Constitutionele monarchie

Slide 61 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Na de grondwetswijziging van 1848

Slide 62 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken grondwet van 1848

Slide 63 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken bestuur Koninkrijk der Nederlanden

Slide 64 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onder koning Willem I werd Nederland een constitutionele monarchie. Leg uit wat dit betekent

Slide 65 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In 1848 was koning Willem II bereid om een deel van zijn macht in te leveren. Geef hiervoor een verklaring

Slide 66 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Thorbecke maakte de koning onschendbaar en de minsters verantwoordelijk. Aan wie moesten de ministers nu verantwoording afleggen?

Slide 67 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 68 - Tekstslide

Censuskiesrecht. Alleen rijke mannen boven de 23 jaar mochten stemmen (zo’n 11% van de mannelijke bevolking van Nederland in die tijd). Dit kun je aan de bron zien doordat de man in pak (= liberaal) tegen de arme magere man (met versleten kleding en gaten in zijn schoenen) zegt dat het makkelijk is om stemrecht te verkrijgen; hij moet alleen wel belasting betalen.

Door de grondwet van Thorbecke kreeg Nederland een parlementair stelsel. Het parlement kreeg de hoogste (wetgevende) macht. Toch kan je niet zeggen dat Nederland een volledige democratie werd. Leg dit met behulp van de bron uit.

Slide 69 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies