Werken in de winkel
Werken in de winkel
Open met herkenbare voorbeelden: supermarkt, kledingwinkel, drogist. Leg uit dat in deze les het gaat om veelvoorkomende taken en woorden die je op de werkvloer nodig hebt.
Dit ga ik leren
Ik kan de basis van werken in de winkel uitleggen en de belangrijkste taken en begrippen benoemen en herkennen.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden passen bij werken in een winkel?
Gebruik de woorden uit de wolk als start: taken, spullen, klanten, kassa, netjes werken.
Wat doe je in een winkel?
klanten helpen
vakken vullen
kassa bedienen
producten controleren
winkel netjes houden
Benadruk dat winkelwerk uit meerdere kleine taken bestaat. Niet alleen achter de kassa staan, maar ook aanvullen, controleren en netjes maken.
Klant helpen
vriendelijk zijn
luisteren naar de vraag
product zoeken
duidelijk antwoord geven
klant bedanken
Koppel elke stap aan een simpele situatie: 'Waar staat de melk?' of 'Heeft u dit in maat M?'.
Vakken vullen
producten op de juiste plek
oude en nieuwe producten netjes zetten
lege plekken aanvullen
verpakking heel houden
recht en overzichtelijk werken
Noem dat netjes presenteren belangrijk is: de klant moet producten goed kunnen zien en pakken.
Kassa bedienen
producten scannen
prijs controleren
geld aannemen
restgeld teruggeven
kassabon geven
Leg rustig uit dat nauwkeurig werken belangrijk is. Een fout bij geld of prijs moet meteen worden hersteld.
Controleren en netjes maken
kijken of producten heel zijn
houdbaarheidsdatum controleren
prijskaartjes controleren
rommel opruimen
schappen netjes maken
Maak duidelijk dat veilig en schoon werken ook bij winkelwerk hoort.
Wat doe je bij de kassa?
producten scannen
schappen poetsen
dozen uitpakken
ramen wassen
Check begrip van basistaken. De foute opties zijn wel winkelwerk, maar niet de hoofdtaak van de kassa op de vorige slides.
Maak de tekst af
In een winkel help je de vriendelijk. Je luistert goed en zoekt een als iemand iets vraagt. Bij de kassa moet je precies werken. Je scant het product en geeft terug. Daarna maak je de winkel weer .
Correcte woorden: klant, product, restgeld, netjes.
Prijskaartjes lezen
Op een prijskaartje staat vaak:
naam van het product
prijs
soms korting
soms inhoud of maat
plek van het product
Laat zien dat leerlingen het prijskaartje moeten kunnen koppelen aan het juiste product in het schap.
Goederen controleren
Nieuwe goederen controleer je op:
juiste product
juiste aantal
schade aan doos of product
houdbaarheidsdatum
of alles klopt met de levering
Gebruik eenvoudige woorden: levering = spullen die binnenkomen. Maak het concreet met een doos frisdrank of broodjes.
Netjes presenteren
producten recht neerzetten
dezelfde producten bij elkaar
voorkant naar voren
schap schoon houden
lege plek snel aanvullen
Leg uit dat een nette winkel rust geeft en helpt bij verkopen, maar houd het praktisch en concreet.
Eenvoudige winkeltaal
Goedemorgen
Kan ik u helpen?
Waar zoekt u naar?
Het staat daar
Dank u wel
Benadruk beleefd taalgebruik. In sommige winkels is 'u' meestal passend naar klanten.
Vragen van klanten
Veel vragen zijn:
Waar staat dit product?
Wat kost dit?
Heeft u dit nog?
Is er korting?
Mag ik pinnen?
Laat zien dat een medewerker rustig luistert en kort antwoord geeft. Geen lange uitleg nodig.
Producten zoeken
lees het schap of bord
kijk naar de productnaam
let op merk, maat of smaak
controleer het prijskaartje
wijs de juiste plek aan
Verbind dit met vakken vullen: als schappen netjes zijn, kun je producten sneller terugvinden.
Wat lees je op een prijskaartje?
de route
de prijs
de openingstijd
de muziek
Laat leerlingen het prijskaartje koppelen aan informatie in het schap.
Maak de tekst af
Een medewerker leest een om de prijs te zien. Nieuwe controleer je bij een levering. In het schap zet je dezelfde producten bij elkaar en de naar voren. Zo blijft de winkel en duidelijk.
Correcte woorden: prijskaartje, goederen, voorkant, netjes.
Restgeld teruggeven
noem het bedrag
tel het geld goed
geef eerst muntgeld of briefgeld
geef daarna de kassabon
blijf rustig en precies
Gebruik eenvoudige voorbeelden mondeling, zoals: totaal 7 euro, klant geeft 10 euro, restgeld 3 euro.
Omgaan met drukte
werk stap voor stap
blijf vriendelijk
luister goed
maak eerst één taak af
vraag hulp als dat nodig is
Noem dat drukte normaal is in een winkel. Rustig blijven helpt om minder fouten te maken.
Omgaan met fouten
merk de fout op
zeg het eerlijk
bied excuses aan
herstel de fout
vraag hulp bij twijfel
Voorbeelden: verkeerde prijs gescand, te weinig restgeld gegeven, product op verkeerde plek gezet.
Belangrijke woorden
klant - iemand die iets koopt
kassa - plek waar je betaalt
prijskaartje - kaartje met de prijs
schap - plank in de winkel
restgeld - geld dat je terugkrijgt
levering - goederen die binnenkomen
korting - lagere prijs
Deze slide heeft geen instructies
Meer belangrijke woorden
vakken vullen - producten in het schap zetten
goederen controleren - nakijken of producten kloppen
presenteren - producten netjes laten zien
houdbaarheidsdatum - datum tot wanneer iets goed is
scannen - product met de kassa lezen
kassabon - bon met wat je hebt gekocht
pinnen - betalen met bankpas
Deze slide heeft geen instructies
Wat zeg je netjes tegen een klant?
Loop maar weg
Zoek het zelf
Kan ik u helpen?
Ik weet niks
Toetst eenvoudige winkeltaal en beleefd spreken.
Maak de tekst af
Bij drukte werk je voor stap. Een klant vraagt iets, dus je blijft en luistert goed. Bij contant betalen geef je het terug. Maak je een fout, dan zeg je het eerlijk en bied je je aan.
Correcte woorden: stap, vriendelijk, restgeld, excuses.
Wat doe jij bij drukte of een fout?
Bespreek antwoorden zoals: rustig blijven, fout eerlijk zeggen, hulp vragen, stap voor stap werken, klant netjes helpen.
Wat heb je vandaag geleerd?
Laat leerlingen kort noemen wat ze hebben geleerd, zoals kassa, klant helpen, prijskaartje lezen of netjes presenteren.
Wat hielp jou het meest vandaag?
Mogelijke antwoorden: voorbeelden, woordenlijst, plaatjes, samen oefenen, duidelijke stappen.