18 maart natuurkunde

Spanning, stroomsterkte en vermogen
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Spanning, stroomsterkte en vermogen

Slide 1 - Tekstslide

In deze lessonup staat uitleg over de gestelde vragen
Dit is voor iedereen ook een goede herhaling, dus neem het echt even door! 
We behandelen nog 1x de belangrijke begrippen, 
de capaciteit van een batterij, 
en opdracht 40, 48, 49 en 50

Daarna kun je zelfstandig aan de slag met het huiswerk voor volgende week: 
de waterkokeropdracht en de test jezelf

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

In het filmpje zag je een 'stroomkring'.
Er liepen mensen rond, die halen ergens een balletje, namen dit mee en brachten dit bij een ander punt. 

Beantwoord hierover de volgende vragen. 

Slide 4 - Tekstslide

De mensen in dit filmpje
worden vergeleken met ....
A
een spanningsbron
B
spanning
C
de stroomsterkte
D
het apparaat

Slide 5 - Quizvraag

De balletjes in dit filmpje worden vergeleken met ....
A
een spanningsbron
B
spanning
C
de stroomsterkte
D
het apparaat

Slide 6 - Quizvraag

In het filmpje werd een stroomkring weergegeven. 
De mensen brachten steeds ballen van de spanningsbron naar het apparaat. De mensen liepen steeds rond, zij stellen de stroomsterkte voor (net als de tankauto's in het boek). Zij brengen balletjes van de spanningsbron, naar het apparaat (in het boek is dat de benzine in de tankauto's), die balletjes stelt de spanning voor. 

Slide 7 - Tekstslide

Spanning
Spanning is een grootheid met afkorting U. De eenheid van spanning is Volt afkorting V. 
De spanning geeft aan hoeveel elektrische energie er in elk deeltje wordt meegenomen naar de apparaten. 

Slide 8 - Tekstslide

Stroomsterkte
Stroomsterkte is grootheid met afkorting I (hoofdletter i). De eenheid van stroomsterkte is Ampere afkorting A. De stroomsterkte geeft aan hoeveel elektronen er per seconde een plek passeren. 1 Ampere is gelijk aan 625 duizend miljoen elektronen (deeltjes).  Dus hoe groter de stroomsterkte is hoe meer deeltjes er per seconde door een draad heen gaan.

Slide 9 - Tekstslide

Vermogen
Elektrisch vermogen is een grootheid met afkorting P. De eenheid van vermogen is Watt afkorting W
Vermogen is altijd afhankelijk van spanning en stroomsterkte. Hoe groter die allebei worden, des te groter het vermogen van een apparaat wordt. 
Het vermogen geeft aan hoeveel elektrische energie een apparaat verbruikt per seconde.

Slide 10 - Tekstslide

Vermogen
  • Hoeveel elektrische energie een 
       toestel per seconde verbruikt (watt)
  • Bij een variabele vermogen (b.v. een mixer) wordt altijd het maximale vermogen gemeld.
  • Vermogen hangt af van spanning en stroomsterkte

Slide 11 - Tekstslide

Formule
Vermogen = Spanning x Stroomsterkte


P=UI

Slide 12 - Tekstslide

Elektrisch vermogen
De hoeveelheid geleverde energie per seconde.


U is spanning in volt (V)
I is stroom in ampere (A)
P is vermogen in watt (W)
P=UI

Slide 13 - Tekstslide

Even om te onthouden voor je verslag... ;)
Als je het vermogen van een apparaat weet, 
en je weet hoe lang je dit apparaat gebruikt, 
dan kun je uitrekenen hoeveel energie (in kWh) je gebruikt. 

Hiermee kun je ook uitrekenen wat je moet betalen voor dit apparaat op je elektriciteitsrekening. 

Slide 14 - Tekstslide

Wat is het vermogen van een boormachine met een spanning van 230V en een stroomsterkte van 3,9A?

Slide 15 - Open vraag

Een oplader geeft een spanning van 5 V en een stroomsterkte van 0,7 A. Wat is het vermogen van de adaptor?

Slide 16 - Open vraag

Vera maakt een schakeling. Ze meet een stroomsterkte 220mA en de spanning 9,0V. Hoe groot is het vermogen
A
1980 W
B
24,4 W
C
1,98 W
D
1980000 W

Slide 17 - Quizvraag

In Sinita's smartphone zit een lithium-ion-accu die een spanning levert van 3,5 V. Als Sinita belt, levert de accu een vermogen van 2,5 W. Bereken de stroomsterkte.
A
8,8 A
B
0,71 A
C
1,4 A

Slide 18 - Quizvraag

De capaciteit van een batterij
De cappaciteit van een batterij geeft aan hoelang een batterij een bepaalde stroomsterkte kan leveren. 

Bijv. een batterij met een capaciteit van 1000 mAh 
kan 10 uur lang 100 mA leveren (immers 10x100=1000) 
Of 5 uur lang 200 mA (immers 5x200 is ook 1000) 
etc. 

Slide 19 - Tekstslide

De capaciteit geeft dus aan hoelang een batterij een bepaalde stroomsterkte kan leveren. 

Belangrijk is hierbij C = I x t
C is de capaciteit in mAh
I is de stroomsterkte in mA
t is de tijd in h 

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Al jullie vragen uit de vorige lessonup is verwerkt in deze nieuwe lessonup. Heb je alsnog vragen.... Stel ze op de volgende pagina. Vragen die vandaag gesteld worden kom ik vandaag of morgen op terug. 


Slide 25 - Tekstslide

Vragen? Stel ze!

Slide 26 - Open vraag

Aan de slag!
Je kunt nu bezig met: 
Test jezelf (dinsdag af)
Practicum waterkoker (verslag uiterlijk maandag inleveren, telt 1x mee!)

Slide 27 - Tekstslide