Voorbeelden fase-overgangen
Verdampen; natte was die droogt in de zon.
Condenseren; een koud raam beslaat.
Smelten; een ijsje.
Stollen; kaarsvet dat afkoelt
Vervluchtigen: droogijs, pak sneeuw dat verdwijnt
Rijpen; ijskristallen op takjes of in de diepvries