les 6

Bonsoir! 
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransBeroepsopleiding

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Bonsoir! 

Slide 1 - Tekstslide

Programme
  • Huiswerk?
  • Wat hebben we vorige les gedaan?



Doel van vandaag:
  • Quelle est votre profession?
  • onbepaald lidwoord
  • avoir
  • faire

Slide 2 - Tekstslide

Wat hebben we vorige les gedaan?

  • de ontkenning herhalen
  • herhalen getallen tot 100
  • Quelle est votre profession? (inleiding)

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

om te onthouden!
  • Qu'est-ce que vous faites comme travail?
  • Qu'est-ce que tu fais comme travail?
  • Quelle est votre profession?
  • Quelle est ta profession? 
  • travailler
  • bosser
  • le travail
  • le boulot

Slide 5 - Tekstslide

Tekstboek maken: Quelle est ta profession?
Opdracht  
1 A p. 23
1 B p. 23

Nr 28 p 19

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

enkelvoud
enkelvoud
le garçon
de jongen
le collège
de school
l'ami
de vriend
l'hôtel
het hotel
la fille
het meisje
la classe
de klas
l'amie
de vriendin
un garçon
een jongen
un collège
een school
un ami
een vriend
un hôtel
een hotel
une fille
een meisje
une classe
een klas
une amie
een vriendin

Slide 8 - Tekstslide

meervoud
meervoud
les garçons
de jongens
les collèges
de scholen
les amis
de vrienden
les hôtels
de hotels
les filles
de meisjes
les classes
de klassen
les amies
de vriendinnen
des garçons
jongens
des collèges
scholen
des amis
vrienden
des hôtels
hotels
des filles
meisjes
des classes
klassen
des amies
vriendinnen

Slide 9 - Tekstslide

Lidwoorden
mannelijk
vrouwelijk
meervoud
De/het
le
la
les
l’
l’
Een
un
une
des

Slide 10 - Tekstslide

Vervang door un/une/des
le garçon- .....garçon
A
un
B
une
C
des

Slide 11 - Quizvraag

Vervang door un/une/des
les tentes- .......tentes
A
un
B
une
C
des

Slide 12 - Quizvraag

Kies de juiste vorm:
Léna est (een) ___ amie [v] de Thomas.
A
un
B
une

Slide 13 - Quizvraag

Kies de juiste vorm:
Dans le métro, il y a ___ touristes [mv].
A
des
B
les

Slide 14 - Quizvraag

Opdracht maken
tekstboek  2 B p.24
tekstboek 2 C p.24 

geluidsfragment 41

Slide 15 - Tekstslide

We gebruiken het werkwoord "avoir" echt heel vaak !

Wat betekenen de roodgekleurde woorden volgens jou ?


1   Tu as  encore des contacts?
2   j'ai de la chance !
3   ils   ont   trois enfants.


Het  zijn  allemaal  vormen  van  het  hele werkwoord "avoir".

Slide 16 - Tekstslide

AVOIR ( = hebben)
Vervoeging van "avoir" met vertaling :

Slide 17 - Tekstslide

A. optreden

B. ontdekt worden

C. zin hebben om te 

A. zij  heeft
B. zij hebben
C.  men heeft
D.  jullie hebben
E. jij / je hebt
F. wij hebben
1.  nous  avons
2.  tu  as
3.  ils  ont
4.  on  a
5.  vous avez
6.  elle  a

Slide 18 - Sleepvraag

Hoe vertaal je "men heeft" in het Frans ?
A
ils ont
B
nous avons
C
j'ai
D
on a

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent "il a" ?
A
hij heeft
B
zij heeft
C
u heeft
D
zij hebben

Slide 20 - Quizvraag

Slide 21 - Link

opdracht maken
tekstboek 3 a p 24 

Slide 22 - Tekstslide

Kijk nu naar deze zinnen uit de tekst 2 B
Qu'est-ce qu'ils font maintenant?
Oui, on fait du jogging ensemble
Et Juliette, qu'est-ce qu'elle fait?

Het zijn allemaal vormen van het werkwoord Faire!

Slide 23 - Tekstslide

Le verbe faire : doen/maken

Slide 24 - Tekstslide

Het gebruik van Faire
- als je iets maakt/doet
               je fais mes devoirs (ik maak mijn huiswerk)
               tu fais un dessin (jij maakt een tekening)

- bij sporten
                      je fais du foot (ik voetbal)
                     il fait de la natation (hij zwemt)
                    nous faisons de l'athlétisme (wij doen aan atletiek)

Slide 25 - Tekstslide

Faire du sport
  • Voor een sportnaam komt du/de la/de l'


Mannelijke sportnaam
(le karaté) 
du (de + le= du)
Je fais du karaté.
Vrouwelijke sportnaam
(la danse)
de la
Je fais de la danse.
Sportnaam met een klinker of stomme h
(l'athlétisme)
de l'
Je fais de l'athlétisme.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

vous ---> ....ez
vous avez           
vous prenez      
vous allez
vous voulez   
....       



attention:   vous faites

Slide 29 - Tekstslide

ils / elles ....
ils habitent
ils ecoutent
ils cherchent

ils faitent???

elles faisent???
attention:   ils / elles font

Slide 30 - Tekstslide

Combineer blauw met rood
fais
fait
font
faisons
faites
je
ils
nous
vous
il

Slide 31 - Sleepvraag

Tu ...
A
fais
B
fait
C
font
D
faites

Slide 32 - Quizvraag

Nous ...
A
font
B
faitons
C
faites
D
faisons

Slide 33 - Quizvraag

Elles ...
A
fait
B
fais
C
font
D
faites

Slide 34 - Quizvraag

Sophie ...
A
fais
B
fait
C
font
D
faites

Slide 35 - Quizvraag

vous faites
je fais
il fait
ils font
on fait
tu fais
men doet/maakt
Léa en Marc doen/maken
ik doe/maak
jullie doen/maken
jij doet/maakt
hij doet/maakt

Slide 36 - Sleepvraag

Ik voetbal.

Slide 37 - Open vraag

Je … mes devoirs.
A
fait
B
fais
C
faisons
D
font

Slide 38 - Quizvraag

Opdracht maken
tekstboek 4 a + b p.25

Slide 39 - Tekstslide

les devoirs

Slide 40 - Tekstslide