Naamvallen les 1

Herzlich willkommen:)
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Herzlich willkommen:)

Slide 1 - Tekstslide

Was machen wir heute?
Uitleg naamvallen les 1
Oefeningen maken
Luistervaardigheid Facet afmaken
Werkblad signaalwoorden 
Alles af: dan briefopdracht 2


Slide 2 - Tekstslide

Schreibaufgabe 1 

Slide 3 - Tekstslide

Naamvallen 
Een naamval is eigenlijk een andere benaming voor een zinsdeel. Elk zinsdeel heeft zijn eigen grammaticale functie, zoals je leert bij het ontleden van zinnen (bijvoorbeeld onderwerp of lijdend voorwerp). In het Duits krijgt een zelfstandig naamwoord, afhankelijk van zijn rol in de zin, een bepaalde naamval met bijpassende lidwoorden.




Slide 4 - Tekstslide

Die 4 Fälle
1e naamval (nominatief) --> onderwerp
2e naamval (genitiv) --> bezitsrelatie
3e naamval (datief) --> meewerkend voorwerp
4 naamval (accusatief) lijdend voorwerp

Slide 5 - Tekstslide

De volgende vier zinnen illustreren dit. De voetballer krijgt steeds een andere naamval, omdat het een andere functie heeft in de zin:
Nominatief (1e) Der Fußballer schießt in der Verlängerung ein Tor. De voetballer schiet in de verlenging een doelpunt. Onderwerp
Genitief (2e) Die Schuhe des Fußballers waren hellrot. De schoenen van de voetballer waren felrood. Bezitsrelatie
Datief (3e) Der Junge hat dem berühmten Fußballer das Trikot gegeben. De jongen heeft het shirt aan de beroemde voetballer gegeven. Meewerkend voorwerp
Accusatief (4e) Der Verein hat den Fußballer letztes Jahr gekauft. De club heeft de voetballer afgelopen jaar gekocht. Lijdend voorwerp

Kortom: in het Duits kun je dus aan het lidwoord zien om welk zinsdeel het gaat!

Slide 6 - Tekstslide

1e naamval onderwerp (Nominatief)
De eerste naamval is de basisvorm van een zelfstandig naamwoord. De eerste naamval wordt ook wel de nominatief genoemd en is de meest voorkomende naamval in het Duits. Dat komt omdat iedere zin een onderwerp heeft en het onderwerp altijd in de nominatief staat.

Afhankelijk van het geslacht is het passende lidwoord der, die of das. In geval van meervoud is het lidwoord die.
Het onderwerp van een zin vinden we door de vraag te stellen: wie of wat + gezegde? Hierbij bestaat het gezegde uit de werkwoorden in de zin. Afhankelijk van het geslacht van het woord, ontvangt het onderwerp één van de  volgende lidwoorden:
Mannelijk    vrouw/mv              onzijdig
der (k)ein         die (k)eine            das (k)ein
     

Slide 7 - Tekstslide

Vervolg 1e naamval
____ Fußballer schießt in der Verlängerung ein Tor. (De voetballer scoort een doelpunt in de extra tijd)
Let op
sein, werden, bleiben en scheinen. Deze Duitse werkwoorden gaan altijd samen met de nominatief (1e naamval). Om te zien wat er gebeurt als een zin een koppelwerkwoord gebruikt, is een voorbeeld handig:

Der Fußballer ist der bestbezahlte Athlet der Welt. (De voetballer is de best betaalde atleet ter wereld)

Slide 8 - Tekstslide

Samenvattend (aantekening)
De nominatief of eerste naamval is de basisvorm van een zelfstandig naamwoord.
Het onderwerp van een zin staat altijd in de nominatief.
De controlevraag is: wie of wat + gezegde?
Na de koppelwerkwoorden sein, werden, bleiben en scheinen wordt ook de nominatief gebruikt.

Slide 9 - Tekstslide

3e naamval meewerkend vw 
 In het Nederlands kun je vaak aan of voor toevoegen, maar in het Duits vertaal je die woorden niet; het zelfstandig naamwoord krijgt alleen een datief-lidwoord.
Voorbeeld:
Der Junge hat dem berühmten Fußballer das Trikot gegeben.
(Controlevraag: Aan wie geeft de jongen het shirt? Aan de beroemde voetballer → datief.)


Slide 10 - Tekstslide

Vervolg
Naast het meewerkend voorwerp wordt de datief (3e naamval) ook gebruikt bij bepaalde voorzetsels en werkwoorden. Tref je deze aan voor een zelfstandig naamwoord, dan ben je gedwongen het desbetreffende lidwoord in de datief te zetten.

De volgende tabel geeft alle voorzetsels met datief (3e naamval):

Slide 11 - Tekstslide

Samenvattend:
De datief of derde naamval gebruik je voor het meewerkend voorwerp in een zin.
De controlevraag bij de datief is: aan wie of voor wie + onderwerp + gezegde?
De datief volgt dwingend na de voorzetsels: mit, nach, bei, seit, von, zu, aus, außer

Slide 12 - Tekstslide

4e naamval lijdendvw
De vierde naamval heeft betrekking op het lijdend voorwerp. Deze naamval wordt ook wel de accusatief genoemd en is de op één na meest voorkomende naamval. Dat komt omdat het onderwerp in de meeste zinnen is gelinkt aan een lijdend voorwerp.

Om de vierde naamval te vinden, stel je de vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp. Daarom is het vinden van de vierde naamval een logische stap nadat je de nominatief (eerste naamval) hebt gevonden.

Slide 13 - Tekstslide

Der Verein hat ­­­___ Fußballer letztes Jahr gekauft.
Als eerst vraag je naar het onderwerp (1e naamval):
Wer hat letztes Jahr gekauft? --> 'Der Verein’ (de club).
Vervolgens kun je de vraag stellen die leidt tot het lijdend voorwerp (4e naamval):
Wer oder was hat der Verein letztes Jahr gekauft? Oftewel: wie/wat heeft de club vorig jaar gekocht? Het antwoord hierop is den Fußballer (de voetballer). ‘Fußballer’ is dus het lijdend voorwerp en staat in de vierde naamval/accusatief. 
.



Der Verein hat den Fußballer letztes Jahr gekauft.
Als eerst vraag je naar het onderwerp (1e naamval):
Wer hat letztes Jahr gekauft? --> 'Der Verein’ (de club).
Vervolgens kun je de vraag stellen die leidt tot het lijdend voorwerp (4e naamval):
Wer oder was hat der Verein letztes Jahr gekauft? Oftewel: wie/wat heeft de club vorig jaar gekocht? Het antwoord hierop is den Fußballer (de voetballer). ‘Fußballer’ is dus het lijdend voorwerp en staat in de vierde naamval/accusatief. 


Slide 14 - Tekstslide

Naast het lijdend voorwerp volgt de accusatief ook dwingend na bepaalde voorzetsels.

Slide 15 - Tekstslide

Samenvattend
De accusatief of vierde naamval gebruik je voor het lijdend voorwerp in een zin.
De controlevraag bij de accusatief is: wie of wat + gezegde + onderwerp?

De accusatief volgt ook dwingend na de voorzetsels: durch, für, ohne, um, bis, gegen.

Slide 16 - Tekstslide

Beispiel
Ontleden maar --> 1e/ 3e en 4e naamval
1) Mein Vater hat meiner Mutter schöne Blumen gegeben.
2) Unsere Lehrerin erklärt den Schülern die Grammatik.



Slide 17 - Tekstslide

Maak opdracht 1 en 2 
Fertig: Maak luisteroefening Facet af en maak de opdracht signaalwoorden.
Alles af: Ga aan de slag met brief 2.

Slide 18 - Tekstslide

Blooket 
Signaalwoorden

Slide 19 - Tekstslide