Les Duits X-tuur leerjaar 3 dinsdag 9 mei

Lesinhoud
Evy: K6 evt verplaatsen ivm uitleg?
Maken opdrachten ein-Gruppe
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Lesinhoud
Evy: K6 evt verplaatsen ivm uitleg?
Maken opdrachten ein-Gruppe

Slide 1 - Tekstslide




1e, 3e, 4e naamval & ein-Gruppe
intro

Slide 2 - Tekstslide

Opdracht
Kijk voor een overzicht van de ein-Gruppe in je boek op blz. 29
Gebruik dit overzicht om de vragen te beantwoorden.

Log in bij LessonUp onder je eigen naam.


Slide 3 - Tekstslide

mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
nominativ (1e)
ein
ein
keine
dativ (3e)
akkusativ (4e)
eine
Naamvallen : ein-Gruppe
einem
einem
einer
eine
keinen +n
ein
keine
einen

Slide 4 - Sleepvraag

Na aus, bei, mit, nach, seit, von, zu komt altijd de ... naamval.
A
1e
B
2e
C
3e
D
4e

Slide 5 - Quizvraag

Mit _______ (een) Bruder gehe ich in die Stadt.
A
ein
B
einer
C
einem
D
eines

Slide 6 - Quizvraag

Ich gehe heute Abend zu _____ (een) Veranstaltung (v).
A
ein
B
einer
C
eine
D
einen

Slide 7 - Quizvraag

met geen huizen =
A
mit keinen Häusern
B
mit keinem Häuser
C
mit keiner Häusern
D
mit keines Häusern

Slide 8 - Quizvraag

Let op
Staat er een voorzetsel? Dan weet je welke naamval er komt.

aus, bei, mit, nach, seit, von, zu --> 3e naamval
bis, durch, für, gegen, ohne, um --> 4e naamval

Staat er geen voorzetsel, wat dan?

Slide 9 - Tekstslide

Ontleden
Bepaal of het zinsdeel onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp is.

OW (1e naamval): wie/wat + gezegde (alle werkwoorden in de zin)
MV (3e naamval): aan/voor wie + gezegde + onderwerp
LV (4e naamval): wie/wat + onderwerp + gezegde

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht
Er volgt nu een zin in het Nederlands. Gebruik de vragen uit de vorige slide om te bepalen wat onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp is.

Succes!

Slide 11 - Tekstslide

Ik stuur mijn moeder een brief.

ik =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
geen van de antwoorden

Slide 12 - Quizvraag

Ik stuur mijn moeder een brief.

een brief =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
geen van de antwoorden

Slide 13 - Quizvraag

Ik stuur mijn moeder een brief.

mijn moeder =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
geen van de antwoorden

Slide 14 - Quizvraag

Opdracht
Nu volgen zinnen in het Duits. Bepaal in welke naamval de zinsdelen staan en vul het juiste woord uit de ein-Gruppe in. 

Slide 15 - Tekstslide

Jana hat (een) Mann eine Geschichte erzählt.
A
ein
B
einen
C
einem
D
einer

Slide 16 - Quizvraag

(een) Oma hat einen Kuchen gebacken.
A
eine
B
einen
C
einer
D
ein

Slide 17 - Quizvraag

Ich habe (geen vrienden) eine Einladung geschickt [gestuurd].
A
keine Freunde
B
keine Freunden
C
keinen Freunde
D
keinen Freunden

Slide 18 - Quizvraag

Morgen besuchen wir (een) Ärztin (v).
A
ein
B
eine
C
einer
D
einem

Slide 19 - Quizvraag

(een) Lehrer (m) haben wir einen Brief geschrieben.
A
ein
B
einen
C
einer
D
einem

Slide 20 - Quizvraag

(een) Junge geht (met een) Freundin zur Schule.
A
ein, mit einem
B
ein, mit einer
C
einen, mit einer
D
einem, mit einem

Slide 21 - Quizvraag

Kannst du (een) Mutter (een) Buch geben?
A
eine, ein
B
einem, eines
C
einen, eine
D
einer, ein

Slide 22 - Quizvraag

(na een) Deutschstunde (v) gehen wir (naar een) Klassenlehrer (m).
A
Nach einem, zu einem
B
Nach einer, zu einen
C
Nach einer, zu einem
D
Nach eine, zu einem

Slide 23 - Quizvraag




de 4e naamval (Akkusativ) & ein-Gruppe

Slide 24 - Tekstslide

Oefenopdracht:
Jana hat (geen) Bruder.
A
kein
B
keine
C
keinen
D
eine

Slide 25 - Quizvraag

Mein Bruder hat (geen) Freunde abgeholt.
A
kein
B
keine
C
keiner
D
keinen

Slide 26 - Quizvraag

(zonder een) Freundin finde ich (een) Spiel (tegen een) Freund (m) nicht toll.
A
Ohne eine, ein, gegen einen
B
Ohne eine, einem, gegen einen
C
Ohne einer, einem, gegen einer
D
Ohne meine, ein, gegen einem

Slide 27 - Quizvraag

slotwoord

Slide 28 - Tekstslide