Bron A Describir personas

Bron A: Describir personas




Beschrijf personen 
Uiterlijke kenmerken
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Bron A: Describir personas




Beschrijf personen 
Uiterlijke kenmerken

Slide 1 - Tekstslide

Plattegrond m3-sp2 (2026)

Slide 2 - Tekstslide

Plattegrond m3-sp1 (2026)

Slide 3 - Tekstslide

Buscar en el diccionario
Je wilt de volgende zin schrijven: 
"Ik verzamel postzegels"



timer
5:00
1. Zoek de onbekende woorden op in het woordenboek.
2. Maak de zin langer door er nog 4 woorden aan toe te voegen.

Slide 4 - Tekstslide

Objetivos de la clase/ Lesdoelen



Aan het einde van de les kun je:
  • feedback krijgen over huiswerk: schrijf een e-mail
  • de woordenschat over uiterlijk kernmerken herhalen.
  • je eigen uiterlijk en dat van een andere persoon beschrijf.
Op tafel
 Boek blz. 27, WB p. 89-90

Slide 5 - Tekstslide

Feedback email
1. Naam
2. Leeftijd
3. Woonplaats
4. Talen die je spreekt
5. Nationaliteit
6. Hobby’s
7. Favoriete eten
8. Karaktereigenschapen 
Me llamo/ soy + naam
Tengo
Vivo
Hablo + taal
soy + nationaliteit/ soy de+ land
Me gusta + hele werkwoorden
Me gusta/ me encanta comer
Soy+ bijvoeglijk naamwoord van karakter 
  • Gebruik openingszinnen en sluitingzinnen
  • Bijvoeglijke naamwoorden hebben hetzelfde geslacht en getal als zelfstandige naamwoorden.
  • Bevat verbindingswoorden zoals "pero" en "y".
timer
10:00

Slide 6 - Tekstslide

Ejemplo
Hola, ¿cómo estás? Yo estoy muy bien.
Me llamo Carola. Yo vivo en Enschede, pero soy de Perú. Hablo español, inglés y holandés.
Me gusta cocinar y trabajar en mi jardín. Me encanta comer comida Libanesa. 
Soy organizada y responsable. 

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Verbos para describir una persona
tener el pelo
 corto/largo/ondulado/rizado/liso/rubio/castaño/negro
tener los ojos
grandes/pequeños/azules/verdes/grises/marrones
ser calvo/pelirrojo/rubio/moreno/alto/bajo/gordo/delgado
llevar gafas/lentes (de contacto)/barba/bigote/ropa

Slide 9 - Tekstslide

Ejemplo
Es una mujer. Es castaña. Tiene el pelo 
castaño, ondulado y largo. Tiene los ojos
azules. No lleva gafas.
Es muy guapa.

Slide 10 - Tekstslide

LessonUp
  • Voer klas "Bron A: Describir personas" in op LessonUp.
  • Doe de oefeningen op dia's 10-19
timer
5:00

Slide 11 - Tekstslide

SER
TENER
LLEVAR
Pelo
Ojos
Alto/-a
Gafas
holandés/-a
ropa
simpático/-a
gordo/-a

Slide 12 - Sleepvraag

El pelo rizado
Gafas
Los ojos verdes
Gordo
Calvo
Moreno
Delgado
El pelo liso
Los ojos azules
Bajo - alto

Slide 13 - Sleepvraag

Koppel de tegenovergestelde woorden aan elkaar
rizado
caro
mucho
largo
alto
corto
liso
bajo
barato
poco

Slide 14 - Sleepvraag

het haar
de broek
blond
knap
kort
de bril
blauw 
rubio
rubia
el pelo
los pantalones
las gafas
guapo
guapa
corto
azul

Slide 15 - Sleepvraag

Bron A: Describir personas 2




Beschrijf personen
Uiterlijke kenmerken

Slide 16 - Tekstslide

Plattegrond m3-sp2 (2026)

Slide 17 - Tekstslide

Buscar en el diccionario
Je wilt de volgende zin schrijven: 
"Mijn vriend heeft een mooie glimlach"



timer
5:00
1. Zoek de onbekende woorden op in het woordenboek.
2. Maak de zin langer door er nog 4 extra woorden aan toe te voegen.
muy + bijvoeglijk naamwoord
Orde: 
zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord

Slide 18 - Tekstslide

Objetivos de la clase/ Lesdoelen



Aan het einde van de les kun je:
  • de woordenschat over uiterlijk kernmerken herhalen (Kahoot)
  • je eigen uiterlijk en dat van een andere persoon beschrijf  (schrijfoefening)
Op tafel
 Boek blz. 27, WB p. 89-90

Slide 19 - Tekstslide

¡Juguemos Kahoot!

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

¿Cómo se dice en español?:
Mijn vriendin heeft blond haar en bruine ogen.
A
Mi amiga tiene el pelo rubio y los ojos marrones.
B
Mi amiga tiene el pelo castaño y los ojos marrones.
C
Mi amiga tiene el pelo rubio y los ojos marrones.
D
Mi amiga tiene el pelo rubia y los ojos verdes.

Slide 22 - Quizvraag

no tiene pelo, no tiene ojos, lleva unas gafas transparentes y una mochila roja
Tiene el pelo negro y de punta. Tiene los ojos negros. Es muy fuerte
Es una mujer. Tiene los ojos marrones y grandes. Tiene el pelo largo, castaño claro. Es muy guapa y canta muy bien
Tiene el pelo pelirrojo y los ojos verdes. Lleva gafas y barba. Es simpático
Tiene los ojos azules. Lleva bigote y lleva una gorra roja. Es pequeño pero rápido y fuerte.
Es un hombre joven. Tiene el pelo largo y castaño, tiene los ojos verdes, está un poco loco

Slide 23 - Sleepvraag

Ejercicios extras
timer
5:00
1. Amir
2. Rosa
3. Ane
4. Paco
5. Alejandro
6. Miguel
7. María
8. Oscar
9. Lucia
10 Lucas
11. Alba
12. Nuria
Grupo1
Frank, María, Félix, Juan, Luisa
Carmen, Pedro, Elena, Alan, Ana
Grupo2
Carlos, Alberto, pablo, Eva, Sebastian, Fernando

Slide 24 - Tekstslide

Beschrijf deze man, noem 2 aspecten
(schrijf de zinnetjes onder elkaar)

Slide 25 - Open vraag

Beschrijf dit plaatje, noem 2 aspecten
(schrijf de zinnetjes onder elkaar)

Slide 26 - Open vraag

Beschrijf dit plaatje, noem 2 aspecten
(schrijf de zinnetjes onder elkaar)

Slide 27 - Open vraag

BRON A  
TB blz. 27 WB 90-91


Lees tekst "La llegada" en beantwoord de vragen van het werkboek 4 a-f, 7a
timer
15:00
1 Ze gaan op uitwisseling.
2 op het schoolplein
3 klasgenoten
4 c  

Slide 28 - Tekstslide

4a
1 d
2 a
3 e
4 b
5 f
6 i
7 g
8 h
9 c 
4b
1 ojos
2 chaqueta
3 pantalones
4 pelo, largo
5 guapa
6 gafas 

Slide 29 - Tekstslide

4d
1 Es guapa.
2 Tiene el pelo largo y rubio.
3 Tiene los ojos azules.
4 Lleva una chaqueta negra. 
WB p. 92
7a
blanco- negro
grande- pequeño
fácil- difícil
feo- bonito
aburrido- divertido
nuevo- viejo
corto - largo

Slide 30 - Tekstslide

Heb je de lesdoelen behaald?


1. Beschrijf een klasgenoot.

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Video