1HV H4 Zinsdelen Lijdend Voorwerp

Grammatica
Lijdend voorwerp
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Grammatica
Lijdend voorwerp

Slide 1 - Tekstslide

Doelen


Ik kan de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp in de zin vinden


Ik weet wat het lijdend voorwerp is en kan deze in de zin vinden

Slide 2 - Tekstslide

Even kort herhalen

Slide 3 - Tekstslide

Mijn moeder heeft een taart gebakken
pv =?

Slide 4 - Open vraag

Mijn moeder heeft een taart gebakken
wg =?

Slide 5 - Open vraag

Mijn moeder heeft een taart gebakken
ow =?

Slide 6 - Open vraag

Mijn moeder heeft een taart gebakken

pv = heeft

wg = heeft gebakken

ow = Mijn moeder


Welke zinsdeel is er over? 

Slide 7 - Tekstslide

Mijn moeder heeft een taart gebakken

pv = heeft

wg = heeft gebakken

ow ( wie + pv/wg?)= mijn moeder


over  = een taart, je krijgt het antwoord "een taart" als je de vraag "wat + pv + ow" stelt.

Slide 8 - Tekstslide

Ik haast me naar huis.
WG=
A
haast
B
haast me
C
haast me naar huis
D
er is geen WG

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
De persoonsvorm en de andere werkwoorden uit de zin.
B
Een werkwoordelijke uitdrukking
C
Een spreekwoord
D
Alle werkwoorden uit de zin, behalve de persoonsvorm.

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Marina legt het onderwerp uit.
A
Marina
B
legt
C
het onderwerp
D
uit

Slide 11 - Quizvraag

Werkwoordelijk gezegde
A
Woordsoort
B
Zinsdeel

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het onderwerp van de tekst?
Wat is het onderwerp van de tekst?
A
gevonden pootafdrukken van dino's
B
het Schotse eiland Skye
C
wetenschappers in Schotland
D
dino's leefden in een gezin

Slide 13 - Quizvraag

Welke zin staat in deze volgorde?

pv/wg - ow - bwb - lv - wg ?
A
Waarom heb jij geen boek?
B
Moet je vandaag niet sporten?
C
Geef jij geld aan een goed doel?
D
Heb jij vandaag chocola gegeten?

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Als onderwerp kozen ze pooldieren.
A
Als onderwerp
B
pooldieren
C
kozen
D
ze

Slide 15 - Quizvraag

Mijn fiets is gestolen.
Het WG is:
A
fiets is
B
gestolen fiets
C
is
D
is gestolen

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Caro legt het onderwerp uit.
A
Caro
B
legt
C
het onderwerp
D
uit

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het wg?
Hij is zijn huiswerk aan het maken.
A
is
B
is maken
C
is aan het maken
D
zijn huiswerk

Slide 18 - Quizvraag

lijdend voorwerp


wie/wat + gezegde + onderwerp?
Het antwoord op die vraag is het lijdend voorwerp.

Slide 19 - Tekstslide

Voorbeeld:
Hij maakt zijn huiswerk.
    Wat maakt hij?
    antwoord: zijn huiswerk
    zijn huiswerk is lijdend voorwerp

Slide 20 - Tekstslide

Voorbeeld:
Ze waarschuwden hem niet op tijd.
    Wie waarschuwden ze?
    antwoord: hem
    hem is lijdend voorwerp

Slide 21 - Tekstslide

Even oefenen

Slide 22 - Tekstslide

De jongens gooiden sneeuwballen

Pv=?
A
de jongens
B
gooiden
C
sneeuwballen

Slide 23 - Quizvraag

De jongens gooiden sneeuwballen

lv=?
A
de jongens
B
gooiden
C
sneeuwballen

Slide 24 - Quizvraag

De mees kon een nestje bouwen in het nieuwe vogelhuisje.
Lv=?

Slide 25 - Open vraag

Hij vond zijn ontbijt tenslotte in de koelkast.
Lv=?

Slide 26 - Open vraag

Slide 27 - Video

Even checken
via cambiumned

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Link

Huiswerk
Maak op blz. 124-125 opdracht 1  en 2.

Slide 30 - Tekstslide