6.2 - Imperative + Articles


Welcome HA1c!
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les


Welcome HA1c!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Today's lesson
This Monday: listening test
  • Homework check: ex. 55 (p.44)
  • Grammar: articles (a/an/the)
  • Practice: articles (a/an/the)
  • New grammar: imperative
  • Practice: imperative
  • Homework

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A / An / The

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog van het verschil tussen a/an?

Slide 5 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

A
AN
table
house
egg
chicken
island
phone
orange

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Friday February 5th
Evaluation homework:
Study Stones 10 + 11 pages 22 / 23
Do online chapter 4, Speaking & Stones ex. 10, 11 + 25a
Do paper book ex. 25a page 24

Explanation ARTICLES (= lidwoorden: de, het + een) see page 27
Do online chapter 4 E: Articles – Imperative ex. 28abc, grammar 11, 28de, 29
Do paper book chapter 4 ex. 28abcde, 29 page 26 / 27

Homework
Study Stones 10 + 11 pages 22 / 23
Do online chapter 4 E: Articles – Imperatice ex. 28abc, grammar 11, 28de, 29
Do paper book chapter 4 ex. 28abcde, 29 page 26 / 27


The definite article the is used to refer to a specific person or thing.
(bepaald lidwoord de / het)

The book is on the table.
The teacher is talking.

You can leave out the when you talk about things in general or use a building or place to mean its specific purpose.

They don't like cats.                                               They don't like the cat.
She is in hospital.                                                   I parked in front of the hospital.
The criminals are in prison.                                 The prison was built in 1885.
My grandmother always went to church.       I live next to the church.


The definite article 
(bepaald lidwoord)
the

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Friday February 5th
Evaluation homework:
Study Stones 10 + 11 pages 22 / 23
Do online chapter 4, Speaking & Stones ex. 10, 11 + 25a
Do paper book ex. 25a page 24

Explanation ARTICLES (= lidwoorden: de, het + een) see page 27
Do online chapter 4 E: Articles – Imperative ex. 28abc, grammar 11, 28de, 29
Do paper book chapter 4 ex. 28abcde, 29 page 26 / 27

Homework
Study Stones 10 + 11 pages 22 / 23
Do online chapter 4 E: Articles – Imperatice ex. 28abc, grammar 11, 28de, 29
Do paper book chapter 4 ex. 28abcde, 29 page 26 / 27


The indefinite article a / an is used for persons or things in general.

(onbepaald lidwoord een)

If words start with a vowel sound (klinker) you use an:
I have an idea.
I read something about an MP. (Member of Parliament, a politician)
It takes an hour to travel there.

Otherwise, you use a:
I saw a cat.
My friend bought a book.
She only paid a euro for that scarf.
It was a one-hour trip.
The indefinite article 
(onbepaald lidwoord)
a/an

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

There will be 16 questions

You have 20 seconds per question.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

I will meet you at ... cinema.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 10 - Quizvraag

1
My brother is reading ... book.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 11 - Quizvraag

2
He broke his arm and has to go to ... hospital.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 12 - Quizvraag

3
My aunt is ... RAF pilot. (Royal Air Force)
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 13 - Quizvraag

4
I go to ... school every week day.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 14 - Quizvraag

5
School children in England have to wear ... uniform.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 15 - Quizvraag

6
... apple a day keeps the doctor away.
A
The
B
A
C
An
D
(nothing)

Slide 16 - Quizvraag

7
Do you have ... one-penny coin?
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 17 - Quizvraag

8
She is .... accountant.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Have you watched .... movie yet?
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Criminals will be sent to ... prison.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I want ... banana.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Where did you park ... car?
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I watched ... movie about dinosaurs yesterday.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I love ... books.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Great Britain is still ... European country.
A
the
B
a
C
an
D
(nothing)

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik snap the articles (the/an/a/X) en kan ze gebruiken.

A
Ja, ik snap het!
B
Bijna, met de opdrachten moet het lukken.
C
Bijna, graag een keer herhalen.
D
Nee, ik wil graag hulp bij de opdrachten

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Imperative (Gebiedende wijs)
Je gebruikt de gebiedende wijs (in het Engels dus imperative) wanneer je iemand vertelt wat diegene moet doen. 
 
Dit kan een bevel, waarschuwing, advies of aanwijzing zijn.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imperative (Gebiedende wijs)
You want to tell someone they have to do something.
 
Sit down!
 Stop!
 Come here!
Look out!
Dit kan een bevel, waarschuwing, advies of aanwijzing zijn.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imperative (Gebiedende wijs)
Je gebruikt don't als iemand iets niet moet doen.  



Sit down!
Open your books!
Be quiet!
Don't sit down! 
Don't open your books!
Don't be quiet!

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Je mag niet drinken hier!
A
Drink here!
B
Does not drink here.
C
Drink not here.
D
Don't drink here.

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Schiet op!
A
Shoot up
B
Hurry up
C
Hurry on
D
No hurry

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Niet praten!
(to talk)

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wees op tijd!
A
Take your time.
B
Are on time.
C
Be on time.
D
Come in the right time.

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which sentence is written in the imperative?
A
Run away! As fast as you can!
B
Can you run away, please?
C
My mother never told me to run.
D
Did he run away?

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Lees jouw boek.
(to read)

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ga naar boven!
A
Turn up
B
Go upstairs
C
Go down
D
Up stairs

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Loop naar school.
(to walk)

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Eet je appel.
(to eat)

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Sla rechts af.
(to turn)

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Val niet in het water.
(to fall)

Slide 40 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: Niet lopen op het gras.
(to walk)

Slide 41 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik snap the imperative en weet wanneer ik het moet gebruiken en hoe ik het moet gebruiken.
A
Ja, ik snap het!
B
Bijna, met de opdrachten moet het lukken.
C
Bijna, graag een keer herhalen.
D
Nee, ik wil graag hulp bij de opdrachten

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

GET TO WORK!
Homework assignment (Magister next Friday)

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies