Herhalen H5 Lezen en maken H5 Woordenschat

Hoofdstuk 5
Herhaling Lezen
Herhaling Woordenschat
Herhaling Taalverzorging
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5
Herhaling Lezen
Herhaling Woordenschat
Herhaling Taalverzorging

Slide 1 - Tekstslide

Welke tekstdoelen
ken je?

Slide 2 - Woordweb

Welke tekstsoorten
ken je?
Bijv. recept

Slide 3 - Woordweb

Noem een tekstdoel met bijbehorend tekstsoort?

Slide 4 - Open vraag

Slide 5 - Tekstslide

Theorie H5 Woordenschat
Een bekend woorddeel zoeken

Slide 6 - Tekstslide

Een bekend woorddeel zoeken
Als je de betekenis van een woord niet kent, kun je op zoek gaan naar een bekend deel van het woord. Dat kan bij:
• woorden die zijn samengesteld uit twee woorden. Bijvoorbeeld: inkoopmedewerker. Je kent het woord inkoop en het woord medewerker. Een inkoopmedewerker is dus iemand in het bedrijf die meehelpt met de inkoop. 

• woorden met een voorvoegsel. Bijvoorbeeld: ongezond. Je weet dat -on hetzelfde is als niet of zonder. Ongezond betekent dus: niet gezond.

• woorden met een achtervoegsel. Bijvoorbeeld: naamloos. Je weet dat -loos hetzelfde is als zonder. Naamloos betekent dus dat iets zonder naam is, het heeft geen naam.


Zo zoek je een bekend woorddeel
• Kijk welke delen van het woord jij al kent.
• Kijk of er een voorvoegsel voor het woord staat, bijvoorbeeld: on-, ont-, her-.
• Kijk of er een achtervoegsel achter het woord staat, bijvoorbeeld: -vol, -loos.

Slide 7 - Tekstslide

Geef een voorbeeld van een samengesteld woord?

Slide 8 - Open vraag

Geef een voorbeeld met een woord met een voorvoegsel?

Slide 9 - Open vraag

Geef een voorbeeld van een woord met een achtervoegsel?

Slide 10 - Open vraag

Taalverzorging:
Bijvoeglijk Naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeelden bijvoeglijk naamwoord

Slide 12 - Woordweb

Taalverzorging: Verwijswoorden
Met een verwijswoord kun je verwijzen naar woorden die je eerder hebt gebruikt.

Rivka is blij. Zij heeft haar wedstrijd gewonnen.

Ik weet niet waarom Sam te laat is. Ik zal hem even bellen.

Slide 13 - Tekstslide

Tekst- zn in het enkelvoud, mannelijk (m): hij, hem, zijn, deze, die

- zn in het enkelvoud, vrouwelijk (v): zij/ze, haar, deze, die

- zn in het enkelvoud, onzijdig (o): het, zijn, dit, dat

- zn in het meervoud: zij/ze, hun, deze, die


Slide 14 - Tekstslide

Taalverzorging: 
Verleden tijd zwakke werkwoorden


Een van de werkwoorden in de zin is de persoonsvorm. 
Je gebruikt deze in de verleden tijd wanneer iets al gebeurd is.

Slide 15 - Tekstslide

VT ZWW
Bij veel werkwoorden maak je de verleden tijd door achter de    ik-vorm -de(n) of -te(n) te zetten:

Ik betaal
Ik betaalde
Wij betaalden

Slide 16 - Tekstslide

-t of -d?
Denk aan " 't sexy fokschaap "

Slide 17 - Tekstslide

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'werken'?
A
werken
B
werkt
C
werkte
D
werkde

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'maken'?
A
maakde
B
maakte
C
maken
D
maakt

Slide 19 - Quizvraag

Blooket!

Slide 20 - Tekstslide