English Class
English Class
Content
Learning objective
Conjunctions (Voegwoorden)
Opdracht
Afsluiting opdracht
Learning Objective
De student kan Engelse voegwoorden gebruiken om zinnen te verbinden en kiest het juiste voegwoord voor reden, keuze, gevolg, opsomming of tegenstelling.
Conjunctions
Voegwoorden
Conjunctions
Vul elke zin aan door één woord in de lege ruimte in te vullen.
I like sugar in my tea, --?-- I don't like milk in it.
Listen to the story --?-- answer the questions in complete sentences.
Is it Thursday --?-- Friday today?
He was late --?-- the bus didn't come.
We were very tired --?-- happy after our flight to Sydney.
They climbed the mountain --?-- it was very windy.
--?-- Lenny was watching the planes his wife was reading in the car.
I'll text you --?-- I have arrived in Toronto.
Neither my brother --?-- my sister own a car.
The sun was warm, --?-- the wind was a bit too cool.
Conjunctions
Met voegwoorden verbind je twee zinnen en geef je het verband tussen deze twee zinnen aan.
Denk bijvoorbeeld aan Nederlandse voegwoorden als: omdat, zodat, maar, tenzij, want, en & of.
We kennen verschillende voegwoorden in het Engels.
Hieronder behandelen we de voegwoorden die je moet kennen en leggen we per verband uit welke voegwoorden je hiervoor kunt gebruiken:
because, as, for, since (want, omdat)
Met because, as, for en since geef je een reden of oorzaak aan.
- She left him, because/as/for/since she didn't love him.
- Ze ging bij hem weg, want ze hield niet van hem.
- Since he is happy, he has a smile on his face.
- Omdat hij blij is, heeft hij een lach op zijn gezicht.
and (en)
Met and geef je een opsomming aan.
- In my opinion, Andre Agassi and Roger Federer are the best tennis players ever.
- Naar mijn mening zijn Andre Agassi en Roger Federer de beste tennissers ooit.
or (of)
Met or geef je een keuze aan.
- Do you like to have coffee or tea?
- Wil je koffie of thee?
so, so that (zodat)
Met so en so that geef je een gevolg aan.
- I go to the gym three times a week, so (that) I stay healthy and fit!
- Ik ga drie keer per week naar de sportschool, zodat ik gezond en fit blijf!
but, though, although, even though, however
Met but (maar), though (hoewel, alhoewel), although (hoewel, alhoewel), even though (ondanks dat) en however (echter) geef je een tegenstelling aan.
- They are strong, but/though/however we are smart.
- Zijn zijn sterk, maar wij zijn slim.
Opdracht: Conjunctions
https://www.english-4u.de/en/grammar/conjunctions.htm
Ga naar deze website en kies een opdracht om te maken.
Afsluiting: Post-it note
Schrijf op wat je heb vandaag geleerd over Conjuctions (Voegwoorden).