In deze les zitten 10 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
DE APOSTROF
Slide 1 - Tekstslide
Welke spelling is correct?
Je schrijft een apostrof als een ZN eindigt op a, o, i, u en een meervoud op -s heeft.
A
taxis
B
taxi's
Slide 2 - Quizvraag
Welke spelling is correct?
Je schrijft een apostrof als het ZN eindigt op een medeklinker + y.
A
babys
B
baby's
Slide 3 - Quizvraag
Welke spelling is correct?
Je schrijft een apostrof als een ZN eindigt op a, o, i, u en een meervoud op -s heeft.
A
menu's
B
menus
Slide 4 - Quizvraag
Welke spelling is correct? Dat is mijn rugzak.
Je schrijft een apostrof op de plaats waar één of meer lettertekens worden weggelaten. <div>Als dit samengetrokken woord op het begin van de zin staat, noteer je niet het eerste woord met een hoofdletter, maar het eerstvolgende woord. </div>
A
m'n
B
mij'
Slide 5 - Quizvraag
Welke spelling is correct? Des morgens ontbijt ik.
Je schrijft een apostrof op de plaats waar één of meer lettertekens worden weggelaten. <div>Als dit samengetrokken woord op het begin van de zin staat, noteer je niet het eerste woord met een hoofdletter, maar het eerstvolgende woord. </div>
A
's morgens
B
'S morgens
C
's Morgens
D
S' Morgens
Slide 6 - Quizvraag
De apostrof gebruik je om een letter weg te laten.
A
Juist
B
Fout
Slide 7 - Quizvraag
De apostrof gebruik je om meervouden te vormen.
A
Juist
B
Fout
Slide 8 - Quizvraag
Hoe gebruiken we 'pianoguy'?
A
Een woord eindigt met a, i, o, u of y. Ik schrijf het meervoud met -en.
B
Een woord eindigt op a, i, o, u, of y. Ik schrijf het meervoud met -'s.