H6 - Taalverzorging voorzetsels (les 1)

Voorzetsels (les 1) 
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Voorzetsels (les 1) 

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Huiswerk
Hoofdstuk 6 - Woordenschat (blz. 154-157)

Zoeken in het woordenboek

Slide 3 - Tekstslide

Zijn er nog vragen/opmerkingen over het huiswerk?

Slide 4 - Open vraag

Lesdoel
Aan het einde van deze les:
- kan je voorzetsels herkennen en gebruiken
- veelvoorkomende vaste voorzetsels bij werkwoorden op de       juiste manier gebruiken 

Slide 5 - Tekstslide

Welke voorzetsels ken je?

Slide 6 - Woordweb

Slide 7 - Video

Een voorzetsel is een klein woord.
Het staat voor of achter een woordgroep waar het bij hoort.
Hij liep in de tuin


Hij liep de tuin in

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

een plaats
een tijd
een richting
een middel
een doel
tot
na
over
op
bij
in
te
naar
langs
in
met
om

Slide 10 - Tekstslide

Draai de spinner en maak een zin met het voorzetsel dat wordt getoond.

Slide 11 - Tekstslide

Vast voorzetsel
De betekenis van het werkwoord verandert soms als er zo'n vast voorzetsel bij staat of als je het voorzetsel verandert.

 

Bijvoorbeeld:
houden - Je mag die geleende schaatsen wel houden
betekent iets anders dan:
houden van - De meeste kinderen houden van pizza

Slide 12 - Tekstslide

Combinaties met vast voorzetsel
zelfstandig naamwoord + werkwoord + vast voorzetsel
 

verstand (zn) hebben van
bezwaar (zn) hebben tegen
gebrek (zn) hebben aan

Slide 13 - Tekstslide

Combinaties met vast voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord + werkwoord + vast voorzetsel

verslaafd (bn) zijn aan
bang (bn) zijn voor
dol (bn) zijn op

Slide 14 - Tekstslide

Aan de slag
Hoofdstuk 6 - Taalverzorging (blz. 158-159)

Grammatica - voorzetsel
Opdracht 1 t/m 3

timer
10:00

Slide 15 - Tekstslide

Ik kan nu (vaste) voorzetsels herkennen en gebruiken
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 16 - Poll

Welk voorzetsel ontbreekt?
Hij woont ... de kerk
A
in
B
op
C
over
D
naast

Slide 17 - Quizvraag

Ik ren naar beneden
Sleep het vinkje naar het voorzetsel

Slide 18 - Sleepvraag

We kijken samen naar voetbal op de televisie
Sleep het vinkje naar het voorzetsel

Slide 19 - Sleepvraag

[...1...] de stad is een gracht. 
Je moet [...2...] de brug om aan de andere kant te komen. 
[...3...] de brug slapen wel eens mensen die geen huis hebben. Vooral [...4...] de zomermaanden. 
Vaak zijn dat toeristen [...2...] andere landen.
Sleep de voorzetsels naar de 
juiste plek in het verhaal.
rond
in
uit
onder
voor
over
bij
na
op
om

Slide 20 - Sleepvraag

Haal alle voorzetsels uit de volgende zin:

Mijn vader belde mij op, want ik moet naar huis komen.

Slide 21 - Open vraag

Huiswerk
Hoofdstuk 6 - Taalverzorging (blz. 158-159)

Grammatica - voorzetsel
Opdracht 1 t/m 3

Slide 22 - Tekstslide

Quiz beeld en tekst:
* Bekijk de afbeeldingen en lees de teksten die erbij staan.
* Kies bij de tweede dia welk doel hierbij hoort.
* Je kunt steeds kiezen uit de 4 genoemde doelen (verfraaien, aandacht trekken, verduidelijken, aanvullen)

Slide 23 - Tekstslide