BLOK 2 Grammatica deel 1

NE 2 HAVO 

Blok 2 
Grammatica

1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

NE 2 HAVO 

Blok 2 
Grammatica

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

lesdoelen
Aan het einde van grammatica Blok 2 :
- kun je de bijwoordelijke bepaling in een zin benoemen
- kun je het meewerkend voorwerp met 'voor' in een zin 
   benoemen
- kun je de woordsoorten bezittelijke, wederkerige en 
  wederkerende voornaamwoorden benoemen 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling ??

voorbeeldzin :
Mijn opa eet dagelijks een croque-monsieur.

Slide 3 - Tekstslide

Elke zaterdag koopt mijn vader bij de bakker verse croissantjes.
Met een grote glimlach overhandigde de verkoopster mij de kassabon.
Morgen zal het in de avond gaan onweren.
nog een voorbeeld

Elke zaterdag / heeft / Jesse / om half vijf / een extra training.

pv = 

wwg = 

ond = 

lv = 

mv = 

bwb = 



Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

een voorbeeld

Elke zaterdag / heeft / Jesse / om half vijf / een extra training.

pv = heeft

wwg = heeft

ond = Jesse

lv = een extra training

mv = staat niet in de zin

bwb = elke zaterdag / om half vijf



Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling 
  • zinsdelen die overblijven na het vinden van                                                          WWG - OND - LV - MV zijn BWB
  • vaak plaatsen en tijden
  • geven antwoord op WAAR, WAARMEE, WAAROM,                                                                        WAARDOOR, HOE, HOEVEEL
  • geen, 1 of meer BWB in zin 
  • begint vaak met een voorzetsel                                     -> blz 71-72
  • voorbeeld : Linde bewaarde haar dagboek onder haar bed.

Slide 6 - Tekstslide

Elke zaterdag koopt mijn vader bij de bakker verse croissantjes.
Met een grote glimlach overhandigde de verkoopster mij de kassabon.
Morgen zal het in de avond gaan onweren.
Linde bewaarde haar dagboek onder haar bed.
Wat is de bijwoordelijke bepaling ?
A
Linde
B
haar dagboek
C
onder haar bed
D
bewaarde

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Over twee weken krijgt Emine de uitslag van het onderzoek.
Wat is de bijwoordelijke bepaling ?
A
Over twee weken
B
krijgt
C
Emine
D
uitslag van het onderzoek

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Heb jij die oude rommel nog aan de straatkant gezet?
Wat is de bijwoordelijke bepaling ?
A
die oude rommel
B
aan de straatkant
C
heb gezet
D
jij

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel BWB's staan er in deze zin ?
In Italië bezorgt deze leverancier wekelijks pakketten aan de meest uiteenlopende bedrijven.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkele doordenkertjes ...

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In elke zin staat een bijwoordelijke bepaling.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een bijwoordelijke bepaling vind je met vragen als: waar, wanneer, waarmee, hoe?
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een bijwoordelijke bepaling begint altijd met een voorzetsel.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een bijwoordelijke bepaling zegt iets over de handeling in een zin.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zinsdelen als ‘ook’, ‘wel’, ‘niet’ en ‘toch’ zijn ook bijwoordelijke bepalingen.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak een zin met een
WWG - OND - LV - 2 BWB's

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling (bwb)

Wij spelen een voetbalspel.


1 Breid bovenstaande zin uit met wanneer.

2 Breid bovenstaande zin uit met waar.

3 Breid bovenstaande zin uit met hoe.

4 Breid bovenstaande zin uit met waarmee.


Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling 
  • zinsdelen die overblijven na het vinden van                                                          WWG - OND - LV - MV zijn BWB
  • vaak plaatsen en tijden
  • geven antwoord op WAAR, WAARMEE, WAAROM,                                                                        WAARDOOR, HOE, HOEVEEL
  • geen, 1 of meer BWB in zin 
  • begint vaak met een voorzetsel                                   

Slide 19 - Tekstslide

Elke zaterdag koopt mijn vader bij de bakker verse croissantjes.
Met een grote glimlach overhandigde de verkoopster mij de kassabon.
Morgen zal het in de avond gaan onweren.
zelfstandig werken

Huiswerk                            -> in digitale methode

BLOK 2 grammatica

BWB : opdr. 4+5 blz. 71-72

lees GRONDIG de theorie over het 'meewerkend voorwerp' op blz 73, maak oefening 6 t/m 8 blz 73-74

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat vond je van deze les ?
A
duidelijk, ik snap het
B
duidelijk maar ik heb nog meer inoefening nodig
C
te makkelijk voor mij
D
ik begrijp er niet veel van en wil graag extra uitleg

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Woordsoorten
lidwoord 
zelfstandig naamwoord 
bijvoeglijk naamwoord 
voorzetsel 
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
wederkerend en wederkerig voornaamwoord  

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

03:17
Bedenk zelf een zin met 2 persoonlijke voornaamwoorden.

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

03:17
Bedenk zelf een zin met 1 bezittelijk voornaamwoorden.

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

HIJ heeft zijn broer een cadeau gegeven.
A
persoonlijk vnw
B
bezittelijk vnw

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij heeft ZIJN broer een cadeau gegeven.
A
persoonlijk vnw
B
bezittelijk vnw

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na het boottochtje ontdekten we dat hun tante niet meer aan boord was.
Pers vnw =
A
het
B
hun
C
we
D
aan

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na het boottochtje ontdekten we dat hun tante niet meer aan boord was.
bezittelijk vnw =
A
het
B
hun
C
we
D
aan

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


wederkerend
wederkerig
voornaamwoord

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wederkerend voornaamwoord
Werkwoorden met 'zich'

Voorbeeld: zich wassen, zich herinneren, zich ergeren, zich schamen, zich vergissen, zich verspreken

'Zich' verwijst naar de persoon die het onderwerp is

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden
                                     WEDERKEREND VNW
Ik               schaam            me
Jij              vergist               je
Hij             herinnert         zich
Wij            wassen             ons
Jullie        ergeren            je
Zij             verspreken      zich

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wederkerig voornaamwoord
Elkaar            --> het verwijst naar personen

Voorbeeld:       Zien jullie elkaar nog wel eens?

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Benoem het persoonlijk vnw, bezittelijk vnw, wederkerend vnw en wederkerig vnw:
Jullie vergisten je in de datum.

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Benoem het persoonlijk vnw, bezittelijk vnw, wederkerend vnw en wederkerig vnw:
De datum van jullie verjaardag ben ik vergeten.

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij begrijpen elkaar als geen ander.
ELKAAR =
A
wederkerend voornaamwoord
B
wederkerig voornaamwoord

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De tennissters gunnen..........(wederkerig voornaamwoord) de overwinning niet.

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vraag jij ......(wederkerend voornaamwoord) ook weleens af waarom ongezonde dingen zo lekker zijn?

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij verheugen ....... (wederkerend voornaamwoord) erg op de kerstvakantie.

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

zelfstandig werken

Maken:                            -> mag ook in digitale methode

BLOK 2 grammatica

opdr. 12 (1+2) + 13   blz 78

+ samen nakijken


Huiswerk 



Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies