cross

E-Unit 3C

Week 13 - March 23-27
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 35 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Week 13 - March 23-27

Slide 1 - Tekstslide

Learning aim
I can use a variety of adjectives
Ik kan verschillende bijvoegelijke naamwoorden gebruiken.

Slide 2 - Tekstslide

Review previous lesson
Please, describe the  picture of the next slide, write 7 sentences and use the given verbs and mail your word document to bhk@driestarcollege.nl
Example: What are they doing? What is he/she doing? 
Lucy is dancing

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Check homework WB page 33: ex. 1,2,3
answers ex. 1
1. present simple
2. present continuous
3. present continuous
4. present simple
5. present simple

Slide 5 - Tekstslide

WB page 33 - answers ex. 2
a. 3
b.2
c.1
d.5

e.5
f.4
g.1
h.2

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Unit 3E - Word skills
Adjectives (= bijvoegelijke naamwoorden)
opposites ( = tegenstellingen)

Slide 8 - Tekstslide

SB page 35 - ex. 1
Speaking exercise 1: use the verbs ( werkwoorden) and nouns ( zelfst. nw.)to describe the picture.
  • Dit is een spreekopdracht maar in dit geval kun je of videobellen via facetime of whatsapp met een klasgenoot en de opdracht doen.
  • Wanneer dit niet lukt, probeer het met iemand thuis te bespreken.
  • Of kies er 4 woorden  uit en beschrijf de foto en schrijf dit op.

Slide 9 - Tekstslide

Designer label

Slide 10 - Tekstslide

SB page 35 - ex. 2 
Lees de onderstaande praatwolkjes en beantwoord deze vragen: 

a. Welke persoon heeft niet genoeg geld om merk labels te kopen?
b. welke persoon draag iets dat niet veel kost?
c. welke persoon wil altijd weten waar de kleding vandaan komt voordat zijn het koopt?
d. welke persoon maakt zelf kleding?

Slide 11 - Tekstslide

SB page 35 - ex. 3 vocabulary
Schrijf de gemarkeerde bijvoegelijke nw. op uit de praatwolkjes en combineer het juiste bijv. nw. ( common adjectives) met de tegengestelde betekenis. 
example:
good - bad

Slide 12 - Tekstslide

SB page 35 - ex. 4 word game
Je kunt de bijv.n.w uit lesje 2+3 op kaartjes schrijven en er een woordspelletje van maken om de tegenovergestelde woorden te leren. 

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Learn this !
Negative prefix (= voorvoegsel)
ex. 5 -Read Ryan's paragraph.
a. schrijf een bijv.nw. op met un-
b. schrijf een bijv.nw. op dat ontkennend gemaakt kan worden met un-

Slide 15 - Tekstslide

SB page 35 - ex. 6
Herschrijf de zin zodat het een tegengestelde betekenis krijgt. Use wordlist 3E to find the correct words.
Example
1. expensive - cheap
2. terrible - 

Slide 16 - Tekstslide

Vwo students 
SB page 35 - ex. 7
Use the adjective from ex. 2+3 to complete the sentences.
Write the answers in your notebook. 

Slide 17 - Tekstslide

Homework March 23 -27
  • Study wordlist 3A,3C.3E
  • Havo WB page 34: ex. 1,2,3,4
  • Vwo WB page 34: ex. 1,2,3,4, 6

Slide 18 - Tekstslide

Click on the speaker and practice your pronunciation
( = uitspraak)

Wordlist 3A

Slide 19 - Tekstslide

Click on the speaker and practice your pronunciation
( = uitspraak)

Wordlist 3C

Slide 20 - Tekstslide

Click on the speaker and practice your pronunciation
( = uitspraak)
Wordlist 3E

Slide 21 - Tekstslide

Answers SB page 35

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Answers ex. 3

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

 WB page 34 - Answers homework week 13
answers ex. 1
1. good
2. awful
3. different
4. difficult
5. expensive
6. true

7. fantastic
8. low
9. new
10. wrong
11. safe
12. large

Slide 29 - Tekstslide

WB page 34 - answers ex. 2
1. safe
2. expensive
3. high
4. right
5. different
6. difficult
7. true

Slide 30 - Tekstslide

 WB page 34 - answers ex. 3
1. friendly
2. kind
3. happy
4. tidy
5. usual
6. necessary
7. comfortable

Slide 31 - Tekstslide

WB page 34 - answers ex. 4
1. an uncomfortable chair
2. an untidy room
3. an unusual flower
4. an unhappy child
5. an unfriendly boy

Slide 32 - Tekstslide

Vwo - answers ex. 6
1. awake - asleep
2. late - early
3. beautiful - ugly
4. thick - thin
5. near - far
6. soft - hard

Slide 33 - Tekstslide

The end
How did you do? 
Do you need extra instruction? Let me know. 

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide