Want / omdat / als

want / omdat / als
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Secundair onderwijs

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

want / omdat / als

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2 zinnen verbinden met 'want'
1. Wie of wat + werkwoord + rest = tijd en/of plaats
Marieke + drinkt + koffie
2. Wie of wat + werkwoord + rest = tijd en/of plaats 
De thee + is  +op
        

           
Marieke drinkt koffie want de thee is op.

Slide 2 - Tekstslide

- het eerste werkwoord staat altijd op de 2e plaats

- de rest van de zin op de 3e plaats.

- de tijd staat vaak voor de plaats!
2 zinnen verbinden met 'OMDAT'

1.   wie of wat + ww + rest
Marieke + drinkt +  koffie
2. wie of wat +ww + rest
Ze + vindt + dat lekker


             
Marieke drinkt koffie omdat ze dat lekker vindt.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2 zinnen verbinden met 'ALS'
1. Wie of wat + werkwoord + rest = tijd en/of plaats
Marieke + drinkt + koffie
2. Wie of wat + werkwoord + rest = tijd en/of plaats 
De thee + is  +op
        

           
Marieke drinkt koffie als er geen thee is. 

Slide 4 - Tekstslide

- het eerste werkwoord staat altijd op de 2e plaats

- de rest van de zin op de 3e plaats.

- de tijd staat vaak voor de plaats!
als
De leerlingen staan meteen op, als de bel gaat.
Als de bel gaat, staan de leerlingen meteen op.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Pak een wisbordje

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zinnen maken met WANT

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik drink veel, want...
A
ik heb dorst.
B
ik dorst heb.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ga naar bed, want .....
A
ik moe ben.
B
ik ben moe.

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik bel de tandarts, want ...
A
ik tandpijn heb.
B
ik heb tandpijn.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik bel de garage, want...
A
mijn auto is kapot.
B
mijn auto kapot is.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik blijf binnen, want...
A
het is koud.
B
het koud is.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik eet geen vlees want ____
A
ik dat niet lekker vind
B
ik vind dat niet lekker

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

En nu met OMDAT

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik ga naar bed, omdat .....
A
ik moe ben.
B
ik ben moe.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik bel de tandarts, omdat ...
A
ik tandpijn heb.
B
ik heb tandpijn.

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik bel de garage, omdat ...
A
mijn auto is kapot.
B
mijn auto kapot is.

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik blijf binnen, omdat ...
A
het is koud.
B
het koud is.

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik drink veel, omdat...
A
ik heb dorst.
B
ik dorst heb.

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik eet geen vlees omdat ____
A
ik dat niet lekker vind
B
ik vind dat niet lekker

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

En nu met ALS

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als het koud is ____
A
ik sluit het raam
B
sluit ik het raam

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik eet pasta, als ........

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

En nu zelf kiezen: want / omdat / als

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik blijf thuis, .... ik ben erg ziek.
A
omdat
B
want

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij komt niet ___ het zo regent
A
als
B
dus

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kunnen jullie bellen ___ jullie er bijna zijn?
A
omdat
B
dus
C
want
D
als

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik kom niet naar school, ... ik ziek ben.
A
omdat
B
want

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

We willen vandaag naar het strand gaan ___ het mooi weer is.
A
omdat
B
want

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ga naar DISK 'grammatica' en maak 3.11 en 3.12.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Link

Deze slide heeft geen instructies