Woordsoorten-oefenen toets

Woordsoorten herhalen
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Woordsoorten herhalen

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel:
Herhalen woordsoorten

Aan het eind van deze les ken de je verschillende woordsoorten en kun je ze benoemen.

Slide 2 - Tekstslide

Grammatica
Zinsdelen (pv, wwg, ond, lv, mv en bwb).

Woordsoorten: elk woord apart benoemen!

Slide 3 - Tekstslide

Voorbeeld:
Mark loopt naar school
 od,     pv/wwg,        bwb

Mark loopt naar school
znw,   ww,    vz,     znw

Slide 4 - Tekstslide

Lidwoord (lw)
Het Nederlands kent drie lidwoorden (lw): de, het, een


Slide 5 - Tekstslide

Het zelfstandig naamwoord (zn)
Zelfstandig naamwoorden zijn woorden waar je een lidwoord voor kunt zetten.

Znw is een naam voor een mens, dier, plant, ding of gevoel.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

ZN deel 2

Ook eigennamen (Caro, Frankrijk, de Mont Blanc, de Amstel) zijn zelfstandige naamwoorden.

Slide 8 - Tekstslide

Werkwoord (ww)
Een werkwoord is iets wat je doet of iets dat gebeurt.
Bijv. fietsen (kun je doen) of regenen (iets dat gebeurt).
Onthoud: een ww kun je vervoegen, dat betekent dat het verandert als je er ik, hij, wij voor zet.
Fietsen: ik fiets - hij fietst - wij fietsen
Regenen: het regent
Als je de tijd van een zin verandert, verandert het ww.
Ik fiets naar school. / Ik fietste naar school. ww=fiets, want dat verandert.

Slide 9 - Tekstslide

Het voorzetsel (vz)
Een voorzetsel is een woord dat je niet kunt veranderen. Het is dus altijd hetzelfde, of het nu voor een zn in enkel- of in meervoud staat.
Je kunt een vz voor een zelfstandig naamwoord zetten:
De vogel vloog tegen het raam.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Het bijvoeglijk naamwoord (bn)
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een  zelfstandig naamwoord. Het geeft een eigenschap, kenmerk of toestand aan van een zelfstandig naamwoord. Vaak staan ze voor het zn waar ze bij horen, maar niet altijd!
Voorbeelden:
de rode auto -->  rode zegt iets over auto en is dus bn.
de auto is rood --> rood zegt auto en is dus bn.

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Welke woordsoorten ken je

Slide 14 - Woordweb

Geef een voorbeeld van
een bijvoeglijk naamwoord.

Slide 15 - Woordweb

Geef een voorbeeld van
een zelfstandig naamwoord

Slide 16 - Woordweb

Geef een voorbeeld van
een voorzetsel.

Slide 17 - Woordweb

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
Aan
het
water
zat
een
slaperige
visser.

Slide 18 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
Op
maandag
zit
Naomi
aan
de
kassa.

Slide 19 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
Na
de
sportles
krijgt
Abdullah
dorst.
intensieve

Slide 20 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
Jules
heeft
voor
zijn
verjaardag
een
nieuwe
scooter
gekregen.

Slide 21 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
Papa
wil
met
een
ouderwetse
trein
door
Duitsland
reizen.

Slide 22 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
In
de
app
vroeg
Denise
de
opdracht
van
het
wiskundehuiswerk.

Slide 23 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
In
de
app
vroeg
Denise
de
opdracht
van
het
wiskundehuiswerk.

Slide 24 - Sleepvraag

Sleep de kenmerken van de woordsoorten naar de juiste woordsoort.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Woord voor een mens, dier, plant, ding of gevoel.
Heeft meestal een enkelvoud en een meervoud.
Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.
Je kunt er meestal de, het of een voor zetten.
Een eigennaam is een vorm van deze woordsoort.
Deze woordsoort zegt iets over het ZN.
Deze woordsoort staat meestal vóór het ZN.
Je kunt vaak de trappen van vergelijking erop toepassen.

Slide 25 - Sleepvraag

Maak een zin met een:
bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, voorzetsel en een werkwoord.

Slide 26 - Open vraag

Maak een andere zin met een:
bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, voorzetsel en een werkwoord.

Slide 27 - Open vraag

vul de volgende zin aan met twee bijv.naamwoorden
(hele zin opschrijven):
'De leerling van DAM heeft een proefwerk Nederlands.'

Slide 28 - Open vraag

Maak een zin met twee werkwoorden, één zelfstandig naamwoord, een eigennaam en een bijvoeglijk naamwoord.

Slide 29 - Open vraag

nu wordt het supermoeilijk:
woordsoorten en zinsdelen door elkaar!

Slide 30 - Tekstslide

Dictators hebben voordeel van oorlog.

Dictators=
A
onderwerp/ werkwoord
B
onderwerp / zelfst.nw
C
lijdend vw / bijv.naamw.
D
bijw.bep / zelfst.nw

Slide 31 - Quizvraag

Die oude auto maakt herrie.

herrie=
A
bijw.bep / bijv.nw
B
bijw.bep / voorzetsel
C
onderwerp / zelfst.nw
D
lijdend vw / zelfst.nw

Slide 32 - Quizvraag

Joeri geeft Lisa een blaadje.

Lisa=
A
Onderwerp / zelfst.nw
B
lijdend vw / bijv.nw
C
meewerkend vw / zelfs.nw
D
lijdend vw / zelfst.nw

Slide 33 - Quizvraag

toetje:
herhaling zinsdelen maken

Slide 34 - Tekstslide

welke zin is goed verdeeld?
A
De jongen \ uit klas 1 \ heeft \ heel goed \ geleerd.
B
De jongen uit klas 1 \ heeft \ heel goed \ geleerd.

Slide 35 - Quizvraag

Lesdoel behaald?

Aan het eind van deze les ken de je verschillende woordsoorten en kun je ze benoemen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 36 - Poll