Voeding B1: Enzymen

 Voeding en vertering
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

 Voeding en vertering

Slide 1 - Tekstslide

BS 1: Enzymen

Slide 2 - Tekstslide

Lesverloop
  1. Terugkoppelingsvragen
  2. Uitleg
  3. Kennisvragen
  4. Zelfstandig werken 

Slide 3 - Tekstslide

Kennisvragen

Slide 4 - Tekstslide

wat zijn de energierijke stoffen
A
eiwitten, mineralen, vetten
B
alle stoffen
C
eiwitten, koolhydraten en vetten
D
vitaminen en eiwitten

Slide 5 - Quizvraag

Hoe kan je een Salmonella besmetting oplopen?
A
Door besmet voedsel te eten
B
Door een wondje
C
Door hoesten
D
Door verkoudheid

Slide 6 - Quizvraag

Wat is voedselbederf?
A
Door micro-organismen is het voedsel ongeschikt geworden om te eten
B
Voedsel wat nog net te eten is maar al wel stinkt
C
Alleen bacteriën kunnen dat veroorzaken
D
Alleen schimmels kunnen dat veroorzaken

Slide 7 - Quizvraag

Leerdoelen
  1. Je kunt de werking van enzymen beschrijven
  2. Je kunt beschrijven welke rol bacteriën en schimmels spelen bij voedselbederf.
  3. Je kunt manieren noemen waarop voedsel kan worden geconserveerd.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Enzymen
Om voedingsstoffen uit je voedsel in je lichaam op te kunnen nemen, moeten ze eerst worden afgebroken.

Enzymen helpen bij  de afbraak van stoffen.

Ook voedselbederf ontstaat door de werking van enzymen.

Slide 10 - Tekstslide

Enzymen
  • In je lichaam vinden veel scheikundige reacties plaats waarbij stoffen worden omgezet in andere stoffen. 
  • Enzymen --> speciale eiwitten  --> zorgen dat deze reacties snel plaatsvinden
  • Ze zijn specifiek,  --> kunnen maar 1 reactie versnellen
  • Er zijn dus veel verschillende enzymen.

Slide 11 - Tekstslide

Enzymen
  • Enzymen "passen" maar op 1 soort stof. 
  • Ze kunnen werken als schaar en stoffen splitsen/klein maken.
  • En ze kunnen werken als lijm en stoffen samenvoegen.
  • Enzymen blijven leven en kunnen dus heel vaak stoffen knippen of plakken

Slide 12 - Tekstslide

Enzymactiviteit
  • De enzymactiviteit is de snelheid waarmee de enzymen een reactie versnellen. 
  • Dit is afhankelijk van meerdere factoren, o.a. van:
  1. - temperatuur
  2. - zuurgraad
  • Hierbij hoort een optimumkromme met een minimum, een maximum en een optimum. In dit geval temperatuur.

Slide 13 - Tekstslide

Minimum, Optimum & Maximum
  • Bij de minimumtemperatuur is er geen enzym activiteit en stoffen worden dus niet omgezet. Enzymen zijn tijdelijk onwerkzaam

  •  Als de temperatuur gaat stijgen neemt de enzymactiviteit steeds meer toe tot de optimumtemperatuur is bereikt. Bij de optimumtemperatuur is de enzymactiviteit het grootst.

  • * Bij een temperatuur hoger dan de optimumtemperatuur neemt de enzymactiviteit steeds verder af tot de maximumtemperatuur. Het enzym  verandert dan van vorm en is voorgoed onwerkzaam/kapot.

Slide 14 - Tekstslide

Zuurgraad
Enzymen werken in vloeistoffen
De stoffen die zijn opgelost in die vloeistof bepalen de PH of zuurgraad

Zuiver water is neutraal de PH is 7
Hoe lager de PH hoe zuurder
en hoe hoger de PH hoe meer basisch

Enzymen werken het best bij een zuurgraad die ongeveer neutraal (pH 7) is.

Slide 15 - Tekstslide

Voedselbederf
  • Ons voedsel bestaat grotendeels uit dode resten van organismen.

  • Schimmels en bacteriën breken dode resten van organismen af. Enzymen versnellen dit proces. 

  • Bij optimale omstandigheden (warm, vochtig) gaat dit het snelst.

  • Je voedsel bederft dan.

Slide 16 - Tekstslide

Voedselvergiftiging

Bij de afbraak van voedsel kunnen giftige stoffen ontstaan die voedselvergiftiging veroorzaken. Je krijgt dan vaak buikpijn diarree en moet overgeven.


Als voedsel grote hoeveelheden schadelijke schimmels en bacteriën bevat (en niet goed bereid wordt) kun je zelfs een voedselinfectie krijgen. 


Bijvoorbeeld een besmetting met de salmonellabacterie. ---> Diarree, overgeven, buikkramp en soms zelfs koorts.




Slide 17 - Tekstslide

Voedsel conserveren
Door voedsel te conserveren kunnen we het  langer houdbaar maken.

De omstandigheden voor bacteriën en schimmels worden dan ongunstig gemaakt.

Bij lage temperatuur of een droge omgeving zijn de meeste enzymen in schimmels en bacteriën niet actief en voedsel bederft dus minder snel.


Slide 18 - Tekstslide

Manieren van conserveren
Er zijn verschillende manieren waarop de omstandigheden voor (de enzymen van) schimmels en bacteriën ongunstig gemaakt kunnen worden.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Conserveermiddelen
Je kunt ook conserveren door stoffen toe te voegen.

  • Zout
  • Suiker
  • Zuur

Ook deze stoffen zorgen voor ongunstige omstandigheden. Bijvoorbeeld door de zuur toe te voegen verandert de pH waarde waardoor de enzymen kapot gaan.

Slide 21 - Tekstslide

Kennisvragen

Slide 22 - Tekstslide

Verteringssappen bevatten enzymen. Wat zijn enzymen?
A
indicatoren
B
slotjes voor sleutels
C
stoffen die het afbreken van voedingsstoffen versnellen
D
stofjes die het beste werken bij 37 graden

Slide 23 - Quizvraag

Welk enzym vertoont de grootste enzymactiviteit?
A
X
B
Y
C
Z

Slide 24 - Quizvraag

Als een enzym gedenatureerd is betekent dat dat het enzym...
A
opgebruikt is
B
dood is
C
uitelkaar is gevallen
D
van vorm is veranderd

Slide 25 - Quizvraag

Welke bewering klopt over de enzymactiviteit en de enzymconcentratie bij temperaturen P, Q en R?
A
Bij alle drie de temperaturen is de enzymconcentratie gelijk.
B
P is het optimumkromme
C
Tussen Q en R neemt de activiteit af, omdat de concentratie van intacte enzym afneemt.

Slide 26 - Quizvraag

Hoe werken enzymen? Zet in de juiste volgorde.
enzym knipt voedingsstof in tweeën
enzym bindt aan voedingsstof
enzym laat los
voedingsstof is (deels) afgebroken

Slide 27 - Sleepvraag

Zelfstandig werken
Thema voeding
- Opdrachten maken
- Basisstof 1 

Klaar?
- Test jezelf
- Blooket spelen
Zelfstandig werken in stilte
Zelfstandig werken en fluisteren
Zelfstandig werken en overleggen

Slide 28 - Tekstslide