Hokjesdenken

Hokjesdenken

Z. Gielen

1 / 50
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNC ZedenleerMaatschappij en welzijnSecundair onderwijs

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hokjesdenken

Z. Gielen

Deze slide heeft geen instructies

- Waar doet deze video jou aan denken?

- Wat gebeurt er in deze video volgens jullie?

- Wat valt op aan hoe mensen reageren?

- Gebeurt dit ook in het echte leven?


Waar doet deze video jou aan denken?

- Waar doet deze video jou aan denken?

- Wat gebeurt er in deze video volgens jullie?

- Wat valt op aan hoe mensen reageren?

- Gebeurt dit ook in het echte leven?


Hokjesdenken

Hokjesdenken
- Wat betekent het concreet om iemand “in een hokje te steken”?

- Waarom doen mensen dat volgens jullie?


Hokjesdenken

= categoriseren


Om de wereld overzichtelijk te maken heeft je brein allerlei hokjes waarin je automatisch mensen, dingen en situaties plaatst.

- Waar zag je dit gebeuren?

Vooroodeel

Stereoptype

Waar denk je aan bij de volgende woorden, wat is het verschil?

We doen op twee manieren aan hokjesdenken



Waar denk je aan bij de volgende woorden, wat is het verschil?


- Stereotype

- Vooroordeel

Ga op zoek naar de uitleg/ definitie van een vooroordeel

Ga op zoek naar de uitleg/ definitie van een vooroordeel

Deze slide heeft geen instructies

Ga op zoek naar de uitleg/ definitie van een stereotype

Ga op zoek naar de uitleg/ definitie van een stereotype

Deze slide heeft geen instructies

Hokjesdenken

Een vooroordeel is een mening of oordeel over een persoon of groep dat je vormt zonder voldoende kennis of ervaring. Het is vaak gebaseerd op aannames in plaats van feiten.

Een stereotype is een vereenvoudigd en algemeen beeld of idee over een bepaalde groep mensen. Het gaat om eigenschappen die aan iedereen in die groep worden toegeschreven, ook al klopt dat niet voor elk individu.

Stereotype

Vooroodeel

Het verschil:


stereotype = idee over groep

vooroordeel = oordeel over individu

Voordelen

Nadelen

Is hokjesdenken altijd slecht?

Niet altijd slecht:

- helpt om snel beslissingen te nemen geeft overzicht


Wel gevaarlijk:

- kan fout zijn

- kan kwetsend zijn

- leidt tot discriminatie



➕ VOORDELEN

Laat leerlingen zelf zoeken:

snel beslissen

overzicht in de wereld

helpt gevaar inschatten

➖ NADELEN

fout beeld

mensen kwetsen

kansen ontnemen

→ link naar discriminatie

Kinderen vertellen over discriminatie: 'Het begint meestal klein'

Discriminatie

Discriminatie = mensen ongelijk behandelen op basis van een kenmerk (zoals afkomst, geslacht, beperking…).

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden van discriminatie

  • Een verhuurder weigert een homoseksueel koppel. 

  • Een werkgever wil alleen witte mensen aanwerven die jonger zijn dan 30.

  • Een autoverhuurbedrijf weigert auto’s te verhuren aan personen ouder dan 60. 

  • In een werkomgeving geldt een verbod op het dragen van hoofddeksels. Moslimvrouwen of sikh-mannen die een hoofddeksel dragen om hun religie, worden daardoor benadeeld.

  • Bij een theatervoorstelling worden personen in een rolstoel niet toegelaten.

Deze slide heeft geen instructies

Vooroodelen

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het beroep van deze persoon?

A

Student

B

Verzekeringsmakelaar

C

Juf lageronderwijs

D

Vrachtwagen chauffeuse

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het beroep van deze persoon?

A

Militair

B

Muzikant

C

Marketeer

D

Werkzoekende

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het beroep van deze persoon?

A

Medisch secretaresse

B

Kleding verkoopster

C

Kleuterjuf

D

Tandartsassistente

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het beroep van deze persoon?

A

Verpleegster

B

Eigenares van koffiebar

C

Huishoudhulp

D

Journaliste

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het beroep van deze persoon?

A

Brandweerman

B

Chemicus

C

Dakwerker

D

Directeur

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht “mijn hokje” 

Denk individueel na over de volgende vragen

  • Hoe zien mensen mij op het eerste zicht?

  • Welke vooroordelen hebben ze misschien?


Hierna:

  • Kloppen de gedachten?

  • Wat zien ze niet?



Opdracht “mijn hokje” 


Laat hen individueel werken:

Schrijf:

Hoe zien mensen mij op het eerste zicht?

Welke vooroordelen hebben ze misschien?

Daarna:

Kloppen die?

Wat zien ze niet?

👉 Bespreking (vrijwillig delen!)

Reflectie op vooroordelen

  • Heb jij ooit een vooroordeel gehad over iemand?

  • Was dat juist of fout?





Reflectie op vooroordelen

Heb jij ooit een vooroordeel gehad over iemand?

Was dat juist of fout?



Stereotype

Deze slide heeft geen instructies

Welk stereotypen heb jij al gehoord
over mensen met adhd?

stereotypen

Boek: etiketjes

Ann Ceurvels

Deze slide heeft geen instructies

Voordelen

Nadelen

Is hokjesdenken altijd slecht?

Niet altijd slecht:

- helpt om snel beslissingen te nemen geeft overzicht


Wel gevaarlijk:

- kan fout zijn

- kan kwetsend zijn

- leidt tot discriminatie



➕ VOORDELEN

Laat leerlingen zelf zoeken:

snel beslissen

overzicht in de wereld

helpt gevaar inschatten

➖ NADELEN

fout beeld

mensen kwetsen

kansen ontnemen

→ link naar discriminatie

Herschrijf het stereotype

Voorbeeld:

“mensen met autisme zijn niet sociaal”

Deze slide heeft geen instructies

Herschrijf het stereotype

Voorbeeld:

❌ “mensen met autisme zijn niet sociaal”
✅ “sommige mensen met autisme hebben moeite met sociale situaties, maar niet iedereen”

Deze slide heeft geen instructies

Jongens praten niet over hun gevoelens

❌ “Jongens praten niet over hun gevoelens”
✅ “Sommige jongens vinden het moeilijk om over gevoelens te praten, maar veel jongens doen dat wel.”

Rijke mensen zijn gelukkig

❌ “Rijke mensen zijn gelukkig”
✅ “Sommige rijke mensen zijn gelukkig, maar geld betekent niet automatisch geluk.”

Oudere mensen begrijpen technologie niet

❌ “Oudere mensen begrijpen technologie niet”
✅ “Sommige oudere mensen hebben minder ervaring met technologie, maar veel kunnen er goed mee werken.”

Gaan de volgende voorbeelden over

vooroordeel/ stereotype of discriminatie

vooroordeel/ stereotype of discriminatie  tekst

Alle jongeren zijn lui en willen niet werken

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Oudere mensen begrijpen geen technologie.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.

A

Vooroordeel

B

Discriminatie

C

Stereotype

“Alle jongeren zijn lui en willen niet werken.” (stereotype)

“Ik denk dat hij niet slim is omdat hij er slordig uitziet.” (vooroordeel)

“Die leerling mag niet meedoen omdat ze een hoofddoek draagt.” (discriminatie)

“Mensen met ADHD kunnen zich nooit concentreren.” (stereotype)

“Ik vertrouw hem niet, want hij komt uit een ander land.” (vooroordeel)

“De werkgever neemt haar niet aan omdat ze zwanger is.” (discriminatie)

“Oudere mensen begrijpen geen technologie.” (stereotype)

“Ik denk dat rijke mensen arrogant zijn.” (vooroordeel)

“Hij mag het appartement niet huren omdat hij homoseksueel is.” (discriminatie)

“Meisjes zijn beter in talen en jongens beter in wiskunde.” (stereotype)

Stereotypen zijn meestal overdreven maar
bevatten wel een kern van waarheid.

1

Akkoord

2

Niet akkoord

Bij akkoord:

Waarom denk je dat er soms een kern van waarheid in zit?

Kan je een voorbeeld geven waar dat volgens jou klopt?

Bij niet akkoord:

Waarom vind je dat stereotypen geen waarheid bevatten?

Wat kan er misgaan als mensen denken dat er “een beetje waarheid” in zit?

Je kan volledig zonder vooroordelen leven.

1

Akkoord

2

Niet akkoord

Bij akkoord:

Hoe zou je dat concreet aanpakken?

Wat moet je doen om zonder vooroordelen te denken?


Bij niet akkoord:

Waarom zijn vooroordelen volgens jou moeilijk te vermijden?

Betekent dat dat we er niets aan kunnen doen?

Het is normaal dat je iemand beoordeelt op uiterlijk.

1

Akkoord

2

Niet akkoord

Bij akkoord:

Waarom is dat volgens jou normaal of menselijk?

In welke situaties gebeurt dat vaak automatisch?

Bij niet akkoord:

Waarom vind je dat niet oké?

Wat zijn de gevolgen van iemand beoordelen op uiterlijk?

Labels doen meer kwaad dan goed.

1

Akkoord

2

Niet akkoord

Bij akkoord:

Waarom kunnen labels schadelijk zijn?

Hoe kunnen labels mensen beperken?

Bij niet akkoord:

Wanneer kunnen labels juist helpen?

Kan een label ook iets positiefs betekenen voor iemand?

Je kan niets doen aan je vooroordelen.

1

Akkoord

2

Niet akkoord

Bij akkoord:

Waarom denk je dat vooroordelen moeilijk te veranderen zijn?

Waar komen ze volgens jou vandaan?

Bij niet akkoord:

Hoe kan je volgens jou wél iets doen aan je vooroordelen?

Wat kan helpen om bewuster te denken?

EINDEOPDRACHT: HOKJESDENKEN 

Smartschool --> EINDEOPDRACHT: HOKJESDENKEN 


Situatie: Er komt een nieuwe leerling in de klas. Veel leerlingen vinden hem/ haar "raar" en vermijden die persoon.

EINDEOPDRACHT: HOKJESDENKEN