cross

Zeeland

voorbereiding
grammatica
luisteropdrachten
valse vrienden
zelftest
woordenlijst
online
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2WOStudiejaar 6

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

voorbereiding
grammatica
luisteropdrachten
valse vrienden
zelftest
woordenlijst
online

Slide 1 - Tekstslide

Zeeuw

Slide 2 - Tekstslide

Er zijn zes eilanden. Vroeger was Zeeland een groep eilanden bij elkaar die in
de loop der eeuwen door dijken en inpoldering aan elkaar zijn ‘vergroeid’ en nu schiereilanden zijn. De grootste eilanden zijn Walcheren en Noord-Beveland en Zuid-Beveland. De kleinere eilanden zijn Tholen, Schouwen-Duiveland en Sint Philipsland. Helemaal in het zuiden heb je het bijna volledig door België en water omringde stuk Zeeuws-Vlaanderen liggen.

Slide 3 - Tekstslide

Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607-1676) was een Nederlandse admiraal. Zijn bijnaam was Bestevaêr, oftewel ‘grootvader’. Hij is een van de bekendste zeehelden uit de Nederlandse geschiedenis en wordt beschouwd als de grootste admiraal van zijn tijd. Tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog tussen Nederland en Engeland voer hij de Theems op naar Chatham en vernielde daar een deel van de Engelse vloot.

Slide 4 - Tekstslide

Er zijn 1836 mensen overleden.

Slide 5 - Tekstslide

BLØF en Racoon zijn de bekendste bands die uit Zeeland komen.

Slide 6 - Tekstslide

7 Dat is zestig meter onder NAP in de Westerscheldetunnel, de tunnel die Zeeuws-Vlaanderen verbindt met Zuid-Beveland.
De Oosterscheldekering heeft 62 openingen die allemaal 40 meter breed zijn.
Je eet ze. Het zijn allebei groenten die groeien op de schorren, het overgangsgebied tussen zoet en zout water. Ze smaken zilt en zitten vol vitaminen. Ze smaken lekker bij visgerechten.

Slide 7 - Tekstslide

Zullen (presens)
- voorstel
- belofte
- waarschijnlijkheid
zullen en zouden
Zouden (imperfectum)
- droom
- beleefde vraag
- wens
- mogelijkheid
- advies
- herinnering aan belofte

Slide 8 - Tekstslide

zouden + willen / kunnen / mogen + ander werkwoord
1. zou, zou
2. imperfectum, imperfectum
3. zou, imperfectum
4. imperfectum, zou
zouden willen infinitief
(+ graag/weleens) 

Slide 9 - Tekstslide

zouden + willen / kunnen / mogen + ander werkwoord
1. zou, zou
2. imperfectum, imperfectum
3. zou, imperfectum
4. imperfectum, zou
zouden willen infinitief
(+ graag/weleens) 
möchten

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

wij mogen - wir dürfen
wij zullen - wir werden
wij durven - wir wagen
ik durf - ich wage


wij moeten - wir sollen

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Wat geeft de bovenste rode lijn op de stormvloedkering aan?
A
Dat is precies drie meter boven NAP.
B
Dat is het niveau waarop de stormvloedkering dichtgaat.
C
Dat was het waterpeil tijdens de ramp in 1953.

Slide 15 - Quizvraag

Waarom is het zo belangrijk dat de stormvloedkering niet helemaal dicht is?
A
Zo kan de natuur beter beschermd worden.
B
Zo kunnen de vissers beter hun werk doen.
C
Zo hebben de vissen een groter leefgebied.

Slide 16 - Quizvraag

Waarom zijn de zandplaten zo belangrijk voor de vogels?
A
Omdat ze er veilig kunnen zitten.
B
Omdat ze er eten kunnen vinden.
C
Omdat ze er kunnen broeden.

Slide 17 - Quizvraag

Hoe komt het dat de zandplaten steeds kleiner worden?
A
Doordat de zee steeds meer zand meeneemt.
B
Doordat de dam binnenkomend zand tegenhoudt.
C
Doordat er minder water en zand binnenstroomt.

Slide 18 - Quizvraag

Wat doet Natuurmonumenten om het leefgebied van vogels en zeehonden te
beschermen?
A
Natuurmonumenten hoogt het zand van de zandplaten op.
B
Natuurmonumenten zorgt dat er genoeg eten voor de vogels en zeehonden blijft.
C
Natuurmonumenten zorgt dat er andere plekken voor de dieren komen.

Slide 19 - Quizvraag

Negatie
verb -> niet
substantief -> geen
geen -> indefiniete woorden.
niet -> definiete woorden 
Ga je je huiswerk niet maken
Ik vind het cadeau niet leuk
De poes ligt niet op de stoel
Plaats van 'niet' in de zin
Moet je nog huiswerk maken?
Nee, ik hoef geen huiswerk te maken.
moeten -> hoeven - te + infinitief
De bovenwoning ligt niet ver van het centrum.
Ik heb geen idee!
Het is geen grote kamer.
De kamer is niet groot.
niet moeten => een streng verbod is
Je hoeft niet naar buiten te gaan.
Je moet niet naar buiten gaan.

Slide 20 - Tekstslide

comparatief en superlatief
...er -> dat
Het + ... st 
mooier dan
het moooist 
moeten -> hoeven - te + infinitief
even mooi
net zo mooi als / even mooi als
even mooi
mooi
mooi
mooi
mooi
duur - duurder
guur 
lekker
mager
wakker
nuchter
betrouwbaar
zwaar

Slide 21 - Tekstslide

Relatieve bijzin
Hoofdzin - Ik ken een boek
Bijzin - dat (...) is geschreven
Relatief pronomen - dat
Ik ken een boek dat door een Duitse schrijver is geschreven.
Er draait een film die over het verzet gaat.
Hoofdzin - Er draait een film
Bijzin - die over het verzet gaat
Relatief pronomen - die
het boek
de film

Slide 22 - Tekstslide


Wat is juist?
A
Paul heeft een vriendin wie uit Denemarken komt.
B
Het café wat op de markt ligt, is open.
C
In de Waddenzee leven zeehonden die bij mooi weer zonnen op de zandbanken
D
Het meisje die daar loopt, kampeert ook op onze camping.

Slide 23 - Quizvraag


Wat is niet juist?
A
Het museum, die op maandag gesloten is, trekt elk jaar duizenden bezoekers.
B
Deze dijk, die in 1953 gebouwd is, moet versterkt worden.
C
De fietsen wie je hier kunt huren, zijn allemaal elektrisch.
D
Op een camping dat aan de kust ligt, is 's nachts veel lawaai.

Slide 24 - Quizvraag

mensen + prepositie
prepositie + wie
Het is een opmerking waarvan ik het mijne denk.
dingen prepositie
waar + prepositie
Locatie 
waar
De vriendin aan wie ik een brief schreef, komt morgen op bezoek.
De tuin waar ik graag zit met een kop koffie, is nog steeds niet opgeknapt.

Slide 25 - Tekstslide

Dit kan ook!
waar ... prepositie
Het is een opmerking waar ik het mijne van  denk.

Slide 26 - Tekstslide

met, tot, uit, naar
mee -> met
Het doel waartoe deze actie leidt...
De winkel waar het vandaan komt...
Het land waar ik naartoe ga...
Mijn vriendin gaat mee op vakantie.
Die actie leidt tot niets.
Het komt uit de supermarkt.
Ik ga naar China.
tot -> toe
uit -> vandaan
naar -> naartoe
De vriendin met wie ik op vakantie ga...

Slide 27 - Tekstslide

wat
verwijzen naar een vaag begrip
Ik heb alles wat mijn hartje begeert. 
verwijzen naar een hele zin
Er is maar weinig wat hij niet kan.
Afwachten of het lukt is het enig wat we kunnen doen.
Vanaf morgen hebben we vakantie, wat we heel fijn vinden.

Slide 28 - Tekstslide

Oefenen met de relatieve bijzin

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

verrekijker - Fernglas
wij zullen - wir werden
Fernseher - televisie
wij moeten - wir sollen

Slide 31 - Tekstslide

verrekijker - Fernglas
zee - See
Fernseher - televisie
meer - Zee

Slide 32 - Tekstslide

Perfectum
spelen
ge + speel + d

werken
ge + werk + t

werkwoorden met 
ge-, be-, her-, ver- of ont- 
geen extra 'ge'
onregelmatige werkwoorden 
uit je hoofd leren
regelmatige werkwoorden -> ge + stam + t/d
gebeuren, betreden, herinneren, 
verwennen, onthouden
blz. 281 en 282
of

Slide 33 - Tekstslide

of
zijn
hebben
en
hebben
zijn

Slide 34 - Tekstslide

verandering
/
beweging
gaan
of
staan
zijn
hebben
hebben
zijn
en

Slide 35 - Tekstslide

verandering
/
beweging
werkwoorden die een object nodig hebben
reflexieve werkwoorden
gaan
of
staan
zijn
hebben
hebben
zijn
en

Slide 36 - Tekstslide

verandering
/
beweging
werkwoorden die een object nodig hebben
reflexieve werkwoorden
gaan
of
staan
tweede werkwoord 
zijn, blijven, gebeuren, worden, stoppen, beginnen, komen, kwijtraken, naderen, tegenkomen
zijn
hebben
hebben
zijn
en

Slide 37 - Tekstslide

verandering
/
beweging
werkwoorden die een object nodig hebben
reflexieve werkwoorden
gaan
of
staan
tweede werkwoord 
zijn, blijven, gebeuren, worden, stoppen, beginnen, komen, kwijtraken, naderen, tegenkomen
herinneren, vergissen, generen
/
eten, koken, spelen
zijn
hebben
hebben
zijn
en

Slide 38 - Tekstslide

verandering
/
beweging
werkwoorden die een object nodig hebben
reflexieve werkwoorden
gaan
of
staan
tweede werkwoord 
zijn, blijven, gebeuren, worden, stoppen, beginnen, komen, kwijtraken, naderen, tegenkomen
herinneren, vergissen, generen
/
eten, koken, spelen
zijn
hebben
fietsen
varen
lopen
suppen
naar / tot
hebben
zijn
en

Slide 39 - Tekstslide

zijn  
hebben
  • van richting veranderen
  • verandering van situatie
  • tweede werkwoord is: zijn, blijven, gebeuren, worden, stoppen, beginnen, komen, kwijtraken, naderen, tegenkomen
werkwoorden die een object nodig hebben
reflexieve werkwoorden

Slide 40 - Tekstslide

vergunning
bezoekersaantal
inkomsten
hotelstop
erlauben
Besucherzahl
Einkommen

Slide 41 - Sleepvraag

onregelmatige werkwoorden i
Maak een zin met het werkwoord in de (im)perfectum.
Nig
blz. 282 - 283

Slide 42 - Tekstslide

onregelmatige werkwoorden ij
Maak een zin met het werkwoord in de (im)perfectum.
blz. 282 - 283

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide