Reflex reflexboog ruggenmerg- en hersenstamreflex

Reflex/ reflexboog/ ruggenmerg- en hersenstamreflex
aan het einde van de les kun je:
  • uitleggen wat een reflex en een reflexboog zijn.
  • een beschrijving geven van een aantal ruggenmerg- en hersenstamreflexen.

1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Reflex/ reflexboog/ ruggenmerg- en hersenstamreflex
aan het einde van de les kun je:
  • uitleggen wat een reflex en een reflexboog zijn.
  • een beschrijving geven van een aantal ruggenmerg- en hersenstamreflexen.

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Link

Slide 3 - Link

Slide 4 - Link

Reflexen

Slide 5 - Woordweb

Wat is een reflex?

Slide 6 - Tekstslide

  • Onwillekeurige actie als reactie op een bepaald stimulus.
Waarom zijn er reflexen?
  • bescherming en dragen bij aan houding en beweging
Reflexen die verdwijnen?
  • Babinski, grijp reflex, grijp reflex, zoek reflex 

Slide 7 - Tekstslide

Wat is een reflex?
  • Onwillekeurige actie als reactie op een bepaald stimulus.
Waarom zijn er reflexen?
  • bescherming en dragen bij aan houding en beweging
Reflexen die verdwijnen?
  • Babinski, grijp reflex, grijp reflex, zoek reflex 

Slide 8 - Tekstslide

Een bewuste reactie

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeelden van reflexen 
  • Weg trekken van hand bij hitte
  • Kokhalsreflex
  • Knipperen van de ogen
  • Niezen
  • Vernauwing pupillen bij fel licht
  • Ontwikkeling van speeksel
  • Urinelozingsreflex  

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Welk onderdeel van het zenuwstelsel wordt nu overgeslagen?

Slide 12 - Tekstslide

Een reflex

Slide 13 - Tekstslide

Waarom heeft je lichaam reflexen? Wat is de functie?

Slide 14 - Open vraag

Reflexboog
De weg die impulsen afleggen bij een reflex

Slide 15 - Tekstslide

Reflex

Slide 16 - Tekstslide

Reflexboog

Slide 17 - Tekstslide

Verschillende reflexbogen
1. Kniepeesreflex (spierrekkingsreflex, houding en balans)

2. Ruggenmergreflexen (ledematen, ontlastingsreflex urinelozingsreflex) 

3.Hersenstamreflexen (Reflexen van hoofd en nek, pupilreflex en niesreflex) 

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Zijn de hersenen onderdeel van reflexbogen?
A
Ja
B
Nee

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een reflexboog?
A
De snelheid van reflexen
B
Reageren op een prikkel
C
Een impuls die spieren of klieren aansturen
D
de weg die impulsen bij een reflex afleggen

Slide 21 - Quizvraag

Vindt deze reflexboog nog plaats als zenuw R door midden is gesneden?
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quizvraag

Hoe verloopt deze reflexboog?
A
Blauw - Geel - Groen
B
Groen - Geel - Blauw
C
Kan beide kanten op

Slide 23 - Quizvraag

Schorsgebieden grote hersenen
motorische en sensorische

Slide 24 - Tekstslide

Aan het einde van de les
ken je de belangrijkste functies van de motorische en sensorische schorsgebieden van de grote hersenen 

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Link

Het centrale zenuwstelsel
Grote hersenen (cerebrum):
  • Emotionele en verstandelijke processen
  • Willekeurige (vrijwillige) bewegingen

Kleine hersenen (cerebellum):
  • Evenwicht en coördinatie
  • Aan en ontspannen van spieren

Hersenstam (truncus cerebri):
  • Vitale levensfunctie (hart en longen)

Ruggenmerg (medulla spinalis):
  • Zenuwbanen en prikkelgeleiding
  • Reflex boog

Slide 27 - Tekstslide

Cerebrum (grote hersenen)
  • Grijze stof aan de buitenkant (hersenschors (cortex))
     en witte stof in het midden
  • Bestaat uit 2 hersenhelften (hemisferen)
  • Deze zijn opgedeeld in 4 kwabben: frontale kwab
    (voorhoofdskwab), temporale kwab (slaapbeenkwab),
    pariëtale kwab (wandbeenkwab), occipitale kwab
    (achterhoofdskwab)
  • Willekeur en emoties
  • Hersengebieden: elk (schors)gebied heeft haar eigen functie.
      Maar bedenk wel dat het brein als één geheel werkt.
  • De schorsgebieden vóór de centrale groeve hebben te maken
      met de bewuste bewegingen van je lichaam: de motoriek
  • De schorsgebieden achter de centrale groeve hebben te maken
      met de sensoriek: bewustwording van waarnemingen van de zintuigen

Slide 28 - Tekstslide

Homunculus

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Motorische schorsgebieden

Schorsgebieden die een functie hebben bij de motoriek van het lichaam.


Ze worden verdeeld in:

- primaire motorische schors

- secundaire motorische schors

Slide 31 - Tekstslide

Primair motorische schors

In dit gebied worden de skeletspieren aangestuurd.

De animale motoriek.


De rechter hersenhelft stuurt de linker lichaamshelft en andersom.

Slide 32 - Tekstslide

Secundaire motorische schors

Ligt voor de primaire motorische schors.

Actief bij ingewikkelde en aangeleerde bewegingen.

Geeft instructie aan de primaire motorische schors voor de bewegingen.

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Video

Vragen

                    Zijn er nog vragen over
 de schorsgebieden?

Slide 36 - Tekstslide

Quiz
Er volgen nu 8 quizvragen over de lesstof
van vorige week
.
Let op: je hebt beperkt de tijd om elke quizvraag te beantwoorden

Slide 37 - Tekstslide

Wat zijn de 3 algemene achtereenvolgende fasen in de werking van het zenuwstelsel?
A
Sensorische prikkel, verwerking, negatieve feedback
B
motorische impuls, verwerking, sensorische impuls
C
Sensorische impuls, verwerking, motorische impuls
D
Sensorische impuls, motorische impuls, negatieve feedback.

Slide 38 - Quizvraag

Waarin verschilt het perifere zenuwstelsel (PZS) met het centrale zenuwstelsel (CZS)?
A
Het perifere zenuwstelsel is niet beschermd door botstructuren
B
Het perifere zenuwstelsel bestaat voor het grootste deel uit dendrieten
C
Het perifere zenuwstelsel bestaat uitsluitend uit sensorische zenuwcellen
D
Het perifere zenuwstelsel stuurt alleen de willekeurige processen aan.

Slide 39 - Quizvraag

Je op de bank ligt, tv te kijken of op je telefoon. Als we dit bekijken vanuit de indeling integratie-vegetatieve zenuwstelsel, dan is dit een voorbeeld van?
A
Vegetatieve zenuwstelsel, parasympatisch
B
Vegetatieve zenuwstelsel, sympatisch.

Slide 40 - Quizvraag

Bij iemand is het volgende te observeren: versnelde hartslag, wijdere pupillen, snellere ademhaling, meer bloed naar de spieren, verminderde darmwerking, verhoogde werking van insuline-glucose systeem.
Is dit een voorbeeld van het sympatische of parasympathische zenuwstelsel?
A
sympatische zenuwstelsel
B
parasympatische zenuwstelsel

Slide 41 - Quizvraag

Een neuron (zenuwcel) bestaat uit meerdere onderdelen om een impuls op te verwerken.
Wat is de juiste volgorde die een impuls door een zenuwcel aflegt?
A
axon, cellichaam, dendrieten, synaps, synapsspleet
B
dendriet, axon, cellichaam, synaps en snapsspleet.
C
dendriet, cellichaam, axon, synaps, synapsspleet.
D
axon, dendriet, cellichaam, synaps, synapsspleet.

Slide 42 - Quizvraag


De hersenen en het ruggenmerg bestaan uit grijze en witte stof. Hoe komt witte stof aan zijn kleur?
A
door vettige stof, die zich in de insnoeringen van Ranvier bevindt, tussen de myelineschedes in.
B
doordat de dendrieten van zenuwcellen van nature wit zijn.
C
door vettige stof, die zich in de myelineschede bevindt.
D
doordat de vloeistof en neurotransmitters in de synapsspleten een witte kleur hebben.

Slide 43 - Quizvraag


Hoe vindt impulsoverdracht
van een zenuwcel naar een volgende cel plaats?
A
de uitloper van de dendriet zit direct vast op het oppervlak van de volgende cel en geeft daar rechtstreeks een elektrische impuls af.
B
de uitloper van het axon zit direct vast op het oppervlak van de volgende cel en geeft daar rechtstreeks een elektrische impuls af.
C
de uitloper van de dendriet geeft blaasjes met neurotransmitter af in de synapsspleet, deze gaan naar de volgende cel om de boodschap over te brengen.
D
de uitloper van het axon geeft blaasjes met neurotransmitter af in de synapsspleet, deze gaan naar de volgende cel om de boodschap over te brengen.

Slide 44 - Quizvraag

Bij de indeling van het zenuwstelsel kun je een onderscheid maken in richting van het signaal.
Hoe verloopt een motorische impuls?

A
van het perifere zenuwstelsel naar het centraal zenuwstel.
B
van het centraal zenuwstelsel naar het perifere zenuwstelsel.
C
Van het centrale zenuwstelsel naar het centrale zenuwstelsel

Slide 45 - Quizvraag