2G1 GTC week 3

Woensdag 18 januari
1. 5 minuten lezen 
2. informatie PO 
3. Tekst 4C
-bespreken 
-vertalen (tekst af voor morgen) 

Lesdoel: je kunt de Griekse zinnen lezen, ontleden en vertalen
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Woensdag 18 januari
1. 5 minuten lezen 
2. informatie PO 
3. Tekst 4C
-bespreken 
-vertalen (tekst af voor morgen) 

Lesdoel: je kunt de Griekse zinnen lezen, ontleden en vertalen

Slide 1 - Tekstslide

2. PO: brief aan god(in)
Inleverdatum vrijdag 24 februari 

Slide 2 - Tekstslide

3. Tekst 4C: let op! 
 r. 1-2 Ὁ μὲν ...

ὁ δ'

r.8 ἀθάνατος: waar hoort dit woord bij en waarom valt de vorm op? 


Slide 3 - Tekstslide

Zelfstandig werken
1. 4C afmaken 
klaar? 
2. Oefeningen grammatica en inhoud tekst 4C maken p.37-39

Slide 4 - Tekstslide

Donderdag 19 januari
1. afronden H4 
2. nieuwe grammatica: genitivus en dativus 
-instructies
-oefenen 

Lesdoel: je kunt het gebruik van de gen. en dat. uitleggen
je kunt de gen. en dat. herkennen 

Slide 5 - Tekstslide

1. Afronden H4
-tekst 4C afmaken 
-korte overhoring subst.+adj.

Slide 6 - Tekstslide

In welke naamval, geslacht en getal staat μακραί
A
dat M ev
B
dat V ev
C
nom O mv
D
nom V mv

Slide 7 - Quizvraag

In welke naamval, geslacht en getal staat δεινος?
A
nom M ev
B
nom O ev
C
gen V ev
D
acc V mv

Slide 8 - Quizvraag

In welke naamval, geslacht en getal staat μακρα NIET?
A
nom V ev
B
nom O ev
C
nom O mv
D
acc O mv

Slide 9 - Quizvraag

Welke grammaticale regel bestaat NIET in het Grieks
A
acc O ev is altijd gelijk aan nom O ev
B
acc O mv is altijd gelijk aan nom O mv
C
Een bijwoordelijke bepaling staat meestal in de ablativus.
D
Na -ρ, -ε en -ι volgt geen η maar een α (in het vrl)

Slide 10 - Quizvraag

Welke combinatie is juist?
A
τον δεινον δουλον
B
τον δεινην δουλος
C
την δεινον δουλην
D
την δεινην δουλην

Slide 11 - Quizvraag

Welke combinatie is juist?
A
ἡ ἀθανατη ὑδρα
B
ἡ ἀθανατα ὑδρα
C
ἡ ἀθανατος ὑδρα
D
ἡ ἀθανατος ὑδρη

Slide 12 - Quizvraag

2. nieuwe grammatica H5
De genitivus en de dativus: pak je schrift! 

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

  De Genitivus
De genitivus is de tweede naamval.

Vormen:
nom. ev.       ἡ μαχη              ἡ χωρα               ὁ δεσποτης                   ὁ δουλος           το θηριον           
gen. ev.         της  μαχης       της  χωρας        του δεσποτου              του δουλου      του θηριου

nom mv.        αἱ μαχαι          αἱ χωραι             οἱ δεσποται                  οἱ δουλοι           τα θηρια
gen. mv.        των μαχων      των χωρων       των δεσποτων            των δουλων      των θηριων

Slide 15 - Tekstslide

    De Genitivus
Gebruik van de genitivus:

1.  aangeven van de bezitter: ὁ του δεσποτου δουλος   -  de slaaf van de meester

2. als aanvulling bij een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord. Achter het woord staat dan in de
     woordenlijst (+ gen.)    voorbeeld: ἐπιθυμεω (+ gen.)     verlangen naar
     ὁ Ἡρακλης της καλης  ζωνης  ἐπιθυμεῑ.     Herakles verlangt naar de mooie gordel.

3. na sommige voorzetsels. Sommige voorzetsels hebben altijd een genitivus bij zich.
     ἐκ + gen.  = uit      ἐκ της οἰκιας   = uit het huis
 

Slide 16 - Tekstslide

 De Genitivus
De plaats van de genitivus.

De genitivus kan (net als het bijvoeglijk naamwoord) op twee plaatsen staan:
1. tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord waar het bij hoort
    ὁ  του πολεμου  θεος    -  de god van de oorlog

2. achter het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort, maar dan moet je (net als bij het         bijvoeglijk naamwoord) het lidwoord herhalen.
     ὁ  θεος  ὁ του πολεμου  -   de god van de oorlog

Slide 17 - Tekstslide

Een andere manier om ἡ του δεσποτου οἰκια te schrijven is:
A
ἡ οἰκια του δεσποτου
B
του δεσποτου ἡ οἰκια
C
ἡ οἰκια ὀ του δεσποτου
D
ἡ οἰκια ἡ του δεσποτου

Slide 18 - Quizvraag

  De Dativus
De dativus is de derde naamval.

Vormen:
nom. ev.       ἡ μαχη              ἡ χωρα               ὁ δεσποτης                   ὁ δουλος           το θηριον           
gen. ev.         τῃ  μαχῃ          τῃ  χωρᾳ             τῳ δεσποτῃ                 τῳ δουλῳ          τῳ θηριῳ

nom mv.        αἱ μαχαι          αἱ χωραι             οἱ δεσποται                  οἱ δουλοι           τα θηρια
gen. mv.        ταις μαχαις    ταις χωραις        τοις δεσποταις          τοις δουλοις      τοις θηριοις

Slide 19 - Tekstslide

De Dativus 
Gebruik van de dativus 
1. Als aanvulling (+dat):  χαλεπαίνει τῇ βασιλείᾳ (zij is boos op de koningin) 

2. Na voorzetsels: ἐν τῇ οἰκίᾳ (in haar huis)

3. De betrokken persoon (ind.obj./MV)  Ἡ βασίλεια αὐτῷ λέγει (De koningin zegt tegen hem)

Slide 20 - Tekstslide

De Dativus 
Gebruik van de dativus 
4. Bijwoordelijke bepaling
a. middel: τὸν Πλούτωνα λόγοις αἰτεῖ (Hij vraagt Plouton met woorden)
b. oorzaak: χολῷ βαίνει (uit woede gaat zij...)
c. omstandigheden: δολερᾷ ἐπινοίᾳ λέγει (met listige bedoeling zegt zij)
 
5. Bezit:  Τῇ δ’ Ἱππολύτῃ ζώνη ἐστιν. (Hippolyte heeft een gordel, letterlijk: 'voor H. is een gordel')

Slide 21 - Tekstslide

Herkennen en gebruik verklaren
Opdracht: zoek in tekst 5C twee naamwoorden in de gen. en drie naamwoorden in de dat. en schrijf bij elke vorm op hoe deze zijn gebruikt. 

Klaar? taaloefeningen tekst 5B, p.48-49

Slide 22 - Tekstslide