Herhaling woordsoorten - voornaamwoorden

2VE week 6.3
Voornaamwoorden:
Vragend
Aanwijzend
Betrekkelijk
Onbepaald
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

2VE week 6.3
Voornaamwoorden:
Vragend
Aanwijzend
Betrekkelijk
Onbepaald

Slide 1 - Tekstslide

Acht voornaamwoorden
Verwijst naar zelfstandig naamwoorden.
1e persoon  ben jezelf-ik
2e persoon iem. met wie je praat
3e persoon iem. waarover je praat


Geeft bezit aan. Staat meestal meteen voor zelfst. nw.
Wijst naar iets. Kan alleen staan of meteen voor zelfst. nw.
Persoonlijk vnw.
Bezittelijk vnw.
Vragend vnw.
Niet elk vraagwoord is een vragend voornaamwoord.
Aanwijzend vnw.
Heeft betrekking op woord dat er vlak voor staat.
Wederkerend vnw.
Geeft iets vaags aan.
Wederkerig vnw.
Alleen het woordje 'elkaar'.
Betrekkelijk vnw.
Hoort bij het wederkerend werkwoord
Onbepaald vnw.

Slide 2 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Het betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) heeft betrekking 
op een woord dat of een woordgroep die eerder in een zin is genoemd:
dat, die, wat, wie

Slide 3 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Het betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) heeft betrekking 
op een woord dat of een woordgroep die eerder in een zin is genoemd:
dat, die, wat, wie
(welke & hetgeen)

Slide 4 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Zo'n woord of woordgroep waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord verwijst, noemen we het antecedent. 

Het boek dat jij leest, zegt mij niets. 
Het boek = het antecedent, dat = het betrekkelijk voornaamwoord

De auto die daar staat, is van hem. 
De auto = het antecedent, die = het betrekkelijk voornaamwoord


Slide 5 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord wat 
kan een overtreffende trap, iets vaags of een hele zin zijn. 

1. Het mooiste wat ik kon vinden, is dit cadeau. 
'Het mooiste' is de overtreffende trap (mooi - mooier - mooist)
2. Alles wat ik kan bedenken, heb ik al geprobeerd.
'Alles' is iets vaags. 
3. Morgen schijnt de zon, wat ik natuurlijk heerlijk vind. 
'Morgen schijnt de zon' is een hele zin. 

Slide 6 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Het schilderij ...... je daar hebt opgehangen, hangt erg scheef.

Slide 7 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Het schilderij dat je daar hebt opgehangen, hangt erg scheef.

Betrekkelijk voornaamwoord = dat
Antecedent = het schilderij

Slide 8 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Fenna speelt fijn, ..... ik leuk vind. 



Slide 9 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Fenna speelt fijn, wat ik leuk vind. 

Betrekkelijk voornaamwoord = wat
Antecedent = Fenna speelt fijn

Slide 10 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Het beste ..... me ooit is overkomen, is dat ik de loterij won. 



Slide 11 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Het beste wat me ooit is overkomen, is dat ik de loterij won. 

Betrekkelijk voornaamwoord = wat
Antecedent = het beste

Slide 12 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Het werk .... hij op zaterdag bij de Hema uitvoert, levert niet veel op. 


Slide 13 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Het werk dat hij op zaterdag bij de Hema uitvoert, levert niet veel op. 

Betrekkelijk voornaamwoord = dat
Antecedent = het werk

Slide 14 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Is dat alles ..... we nodig hebben?



Slide 15 - Tekstslide

Schrijf het juiste betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent op je wisbordje.
Is dat alles wat we nodig hebben?

Betrekkelijk voornaamwoord =  wat
Antecedent = alles

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide