Herhalen blok 4 Lezen

Globaal lezen: 
Strategie die je gebruikt om vast te stellen wat de belangrijkste informatie is. 

Oriënterend lezen:
Strategie waarmee je snel vaststelt waar een tekst over gaat. 
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
Middelbare school

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Globaal lezen: 
Strategie die je gebruikt om vast te stellen wat de belangrijkste informatie is. 

Oriënterend lezen:
Strategie waarmee je snel vaststelt waar een tekst over gaat. 

Slide 1 - Tekstslide

Globaal lezen 
Je gaat op zoek naar de hoofdzaken, de belangrijkste informatie uit de tekst. Je let niet op de bijzaken: voorbeelden en toelichting van de hoofdzaken. 
Werkwijze:
1. Je leest de eerste alinea 
2. Je leest de kernzinnen van de alinea's
3. Je leest de laatste alinea 

Slide 2 - Tekstslide

Leesstrategie 1: oriënterend lezen 
Leesstrategie 2: globaal lezen 
Leesstrategie 3: intensief lezen 


Slide 3 - Tekstslide

Intensief lezen 
Bij intensief lezen, lees je de hele tekst, om het onderwerp zo compleet mogelijk te begrijpen. 
Je doet bij intensief lezen het volgende: 
- Je gaat na, wat is het onderwerp?
- Je gaat na, wat zijn de deelonderwerpen van elke alinea? 
- Je gaat na, wat is het verband tussen de alinea's?
- Je zoekt  de belangrijkste boodschap van de tekst
- Moeilijke zinnen herhaal je
- Woorden die je niet kent, zoek je op in het woordenboek

Slide 4 - Tekstslide

Hoofdzaken en bijzaken
De hoofdzaken zijn: de belangrijkste zaken in een tekst
De bijzaken zijn: voorbeelden, uitleg of toelichting op een hoofdzaak.

Slide 5 - Tekstslide

Hoofdgedachte van een tekst 
Wat is de hoofdgedachte van een tekst? 

Slide 6 - Tekstslide

Hoofdgedachte van een tekst 
Wat is de hoofdgedachte van een tekst? 

Het belangrijkste wat de schrijver wil vertellen. Samengevat in één zin. 

Hoe vind je de hoofdgedachte? 

Slide 7 - Tekstslide

Hoofdgedachte van een tekst 
Hoe vind je de hoofdgedachte? 

- Stel vast wat het onderwerp is. 
- Lees de inleiding en het slot. 
- Zoek naar aanwijzingen voor de hoofdgedachte in de titel, inleiding en het slot. 
- Stel de vraag: wat is het belangrijkste dat de schrijver vertelt over het onderwerp? 
- Formuleer de hoofdgedachte in één complete zin (nooit als vraag!) 

Slide 8 - Tekstslide

Verwijswoorden
Een woord dat verwijst naar een eerder genoemd woord of een eerder genoemde zin.

Slide 9 - Tekstslide

Verwijswoorden
Vroeger wilde ik graag vrede op aarde creëren en honger uitroeien. Nu besef ik dat de kans bestaat dat dat niet gaat lukken.

Wat gaat niet lukken?

Slide 10 - Tekstslide

Verwijswoorden
Vroeger wilde ik graag vrede op aarde creëren en honger uitroeien. Nu besef ik dat de kans bestaat dat dat niet gaat lukken.

Wat gaat niet lukken?
 vrede op aarde creëren en honger uitroeien

Slide 11 - Tekstslide

Verwijswoorden
Hoe vaak heb jij al een flesje water op school of in de supermarkt gekocht? Te vaak waarschijnlijk. Eerlijk is eerlijk: ik maak me er ook schuldig aan.

Aan wat maak ik me ook schuldig?

Slide 12 - Tekstslide

Verwijswoorden
Hoe vaak heb jij al een flesje water op school of in de supermarkt gekocht? Te vaak waarschijnlijk. Eerlijk is eerlijk: ik maak me er ook schuldig aan.

Aan wat maak ik me ook schuldig?
Te vaak flesjes water op school of in de supermarkt kopen.

Slide 13 - Tekstslide

Wat is het verwijswoord en waarnaar verwijst het?

Ik heb wel eens een halve marathon gelopen. Die vond plaats in Amsterdam.

Slide 14 - Open vraag

Wat is het verwijswoord en waarnaar verwijst het?

De leerlingen waren blij na de toetsweek, want ze hadden allen goede cijfers gehaald.

Slide 15 - Open vraag

Wat is het verwijswoord en waarnaar verwijst het?

Mijn broer is zaterdag met zijn voetbalclub kampioen geworden.Hij heeft de hele avond feest gevierd in het club

Slide 16 - Open vraag

Aan de slag
Blok 5 Lezen 
Oefeningen om de theorie te herhalen
Maken Opdracht 1 en 2

Slide 17 - Tekstslide