regelmatige en onregelmatige werkwoorden
regelmatige en onregelmatige werkwoorden
Wij genieten van het mooie weer. (perfectum)
Wij genaten van het mooie weer.
Wij genoten van het mooie weer
Wij hebben van het mooie weer genoten.
Wij hadden geneten van het mooie weer.
Toen de docent een vraag ........, .......... de klas.
stelde, zweeg
vraagde, zweeg
stolde, zwijgde
vroeg, zweeg
Gisteren ....... je veel haast, en daardoor ....... je je tas.
heeft, gehad
Vergeet, had
heb, vergat
had, vergat
Vroeger ......... ......... ........ aardbeien.
heb je gehouden
hield je van
je hield van
je hebt gehouden
Daniel ....... op zijn moeder ........ (wachten)
is gewachten
heeft gewachten
heeft gewacht
is gewacht
Gisteren ....... ik een boek, terwijl mijn zus thee .......
Heb, gedronken
leesde, dronk
las, drinkte
las, dronk
Ik ............ alvast met de afwas .......... (beginnen)
ben begonnen
heb begonnen
ben begind
heb begind
De kat ............. lekker in de zon.
lach
lag
gelegen
gelechen
De buren ........ vroeg in de ochtend naar Spanje .......
hebben vertrokken
hebben vertrokt
zijn vertrokken
zijn vertrokt
Waarheen ....... jouw zus .......
is verhoosd
is verhuisd
heeft verhoosd
heeft verhuist
........ jullie nog nooit in de Efteling .......?
hebben gehad
hebben geweest
Zijn gehad
Zijn geweest
In welk land ......... de Poolse troepen ......... in WOII?
hebben gevochten
zijn gevocht
moesten gevochten
Zouden gevochten
Zet deze zin in de perfectum:
Mijn zus verhuist naar Griekenland.
Zet deze zin in de perfectum:
Mijn tante overlijdt jong.
Zet in de imperfectum: De meisjes willen fruit kopen.
Zet in de perfectum: De leerlingen geloven het niet.
Hoe oud ......... je, toen je ........ dat je dokter ........ worden? (zijn, weten, willen)
Zet in de imperfectum: De website verwijst naar de tekst.
Zet in de imperfectum: In welk jaar gaan Patricia en Hubert naar Duitsland?
Zet in de perfectum: Wie sluit de deur?
Zet in de imperfectum: Maria moet naar de winkel gaan.
Zet in de perfectum: We lopen van noord naar zuid.
Zet in de perfectum: Peter vraagt zich af hoe de toets zal gaan.
Zet in de imperfectum: Layla gaat weg omdat ze niet meer meedoet.