1.1 Organismen

1.1 Organismen
Wat weet je al over organen en cellen?
Je kunt:
- organen benoemen in orgaanstelsels van mensen;
-delen benoemen van dierlijke en plantaardige cellen met hun kenmerken en hun functies;
-de ontwikkeling van een zaadplant beschrijven;
- de kenmerken van chromosomen beschrijven;
- de stappen van een celdeling noemen.
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 360 min

Onderdelen in deze les

1.1 Organismen
Wat weet je al over organen en cellen?
Je kunt:
- organen benoemen in orgaanstelsels van mensen;
-delen benoemen van dierlijke en plantaardige cellen met hun kenmerken en hun functies;
-de ontwikkeling van een zaadplant beschrijven;
- de kenmerken van chromosomen beschrijven;
- de stappen van een celdeling noemen.

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
Je kunt de negen levenskenmerken van organismen noemen.
Je kunt de levensfasen van de mens noemen met de gemiddelde leeftijden en voorbeelden van ontwikkeling geven.


Slide 2 - Tekstslide

Levenskenmerken
Alle levende wezens zijn organismen met de volgende kenmerken:
- groei en ontwikkeling;
- reageren op prikkels (bijv. beweging);
- stofwisseling (voeding, ademhaling en uitscheiding);
- voortplanting.

Slide 3 - Tekstslide

Groei en ontwikkeling bij een man

Slide 4 - Tekstslide

Levensfasen van een mens
Baby (tot 1,5 jaar)
Peuter (1,5 tot 4 jaar)
Kleuter (4 tot 6 jaar)
Schoolkind (6 tot 12 jaar)
Puber (12 tot 16 jaar)
Adolescent (16 tot 21 jaar)
Volwassene (21 tot 65 jaar)
Oudere (65 jaar en ouder)

Slide 5 - Tekstslide

De gele kleur van de bloemen is een levenskenmerk?


A
Juist
B
Onjuist

Slide 6 - Quizvraag

De bloemen op de afbeelding zijn individuen waarvan het leven eindigt met de dood.


A
Juist
B
Onjuist

Slide 7 - Quizvraag

Opdrachten 1.1
Maak opdracht 1 tot en met 7 (opdracht 4 maak je in je schrift).
Af? Oefenen met de flitskaarten.
Volgende les: huiswerk 1.1 af, bespreken en introductie 1.2 De bouw van een organisme

Slide 8 - Tekstslide

Basisstof 2
De bouw van een organisme
  • Cel: het kleinste onderdeel van een organisme dat alle genetische informatie van dat organisme bevat. 
  • Weefsel: groep cellen met dezelfde vorm en functie. 
  • Orgaan: deel van een organisme met een of meerdere functies.
  • Orgaanstelsel: groep van samenwerkende organen. 

Slide 9 - Tekstslide

Bouw organisme (groot naar klein)

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Bouw van een weefsel

Slide 12 - Tekstslide

Een weefsel is een groep organen met dezelfde vorm en functie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag

In een organisme komen onder andere cellen, organen, orgaanstelsels en weefsels voor.
Wat is de juiste volgorde van deze delen, van klein naar groot?

A
Cel – orgaan – weefsel – orgaanstelsel.
B
Cel- weefsel - orgaan - orgaanstelsel
C
Weefsel - cel -orgaan - orgaanstelsel
D
Weefsel - cel - orgaanstelsel - orgaan

Slide 14 - Quizvraag


A
Afbeelding 1 is een zenuwweefsel
B
Afbeelding 2 is een zeenuwweefsel
C
Afbeelding 3 is een zenuwweefsel

Slide 15 - Quizvraag

Orgaanstelsels

Slide 16 - Tekstslide

Basisstof 3
Werken met de microscoop

  1. Onderdelen
  2. Vergroting
  3. Tekening 

Slide 17 - Tekstslide

Vergroting
Oculair x objectief = vergroting

Slide 18 - Tekstslide

Basisstof 4 Cellen

Slide 19 - Tekstslide

Onderdelen 

Slide 20 - Tekstslide

Op welke tekening zie je de juiste doorsnede van een dierlijke cel?

Slide 21 - Open vraag

Basisstof 5
Chromosomen

  • Lange dunne draden
  •  De mens heeft 46 chromosomen, 23 paar.
  • Chromosoom is opgebouwd uit DNA (erfelijk materiaal).

Slide 22 - Tekstslide

Basisstof 6
Gewone celdeling (mitose)

Slide 23 - Tekstslide

Schematische weergave celdeling

Slide 24 - Tekstslide

In welk stadium is de deling het verst gevorderd?
A
stadium 1
B
stadium 2
C
stadium 3
D
stadium 4

Slide 25 - Quizvraag

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Link

Tijdens een mitose worden de chromosomen zichtbaar.
Waardoor komt dat?
A
Doordat de chromosomen korter en dikker worden.
B
Doordat de chromosomen langer en dunner worden.
C
Doordat de chromosomen naar voren komen.

Slide 28 - Quizvraag

Basisstof 7 Biologisch onderzoek

Slide 29 - Tekstslide

Probleemstelling
Een ander woord voor de onderzoeksvraag. Het is een vraag of een probleemstelling die je kunt beantwoorden met een experiment. Een goede vraagstelling is niet met ja of nee te beantwoorden.

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Noem twee organen in de romp die boven het middenrif liggen.

Slide 32 - Open vraag

De organisatieniveau's van klein naar groot:
A
Cellen, weefsels, organen, orgaanstelsels
B
orgaanstelsels, organen, weefsels, cellen
C
weefsels, cellen, organen, orgaanstelsels
D
cellen, weefsels, organen, orgaanstelsels

Slide 33 - Quizvraag

Een groep cellen met dezelfde bouw en dezelfde functies wordt orgaan genoemd?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 34 - Quizvraag

Cellen zijn de bouwstenen van de organen
A
Juist
B
Onjuist

Slide 35 - Quizvraag

Een groep organen die samenwerken noem je:
A
Organen
B
Orgaanstelsels
C
Samenwerkende cellen
D
Cellen

Slide 36 - Quizvraag

Wat is een weefsel?
A
Cellen in verschillende organen met een vorm en functie
B
de cellen in een orgaan
C
Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

Slide 37 - Quizvraag

De darmen op de afbeelding zijn
A
Organen
B
Orgaanstelsels
C
Weefsels
D
Cellen

Slide 38 - Quizvraag

Welk orgaan wordt met nummer 4 aangegeven?

Slide 39 - Open vraag