Vanvugt beschrijft de doffe zijde van de zogenaamde gouden eeuw en staat stil bij het geestelijk klimaat der Nederlanden dat ten grondslag lag aan de modernisering van Nederland in de 19de eeuw. (Veel van onze kanalen, bruggen, wegen zijn immers betaald met geld uit de koloniën.)
Hij belicht de rol van geleerden en theologen die deze expansiedrift billijkten. Zo schreef de grote geleerde Hugo de Groot op 22-jarige leeftijd een verdediging van het recht op buit en legitimeerde daarmee de staat tot zeeroverij. Varen was roven en oorlogvoeren, door theologen uitgelegd als een vorm van menslievendheid: mensen onderwerpen voor hun best wil. Om hun ziel te redden- dat alles uit de naam van God en gewin.