Grammatica woordsoorten H1C

Welkom klas 1
Leg je spullen op tafel. 
Begin met lezen in je leesboek!
timer
10:00
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welkom klas 1
Leg je spullen op tafel. 
Begin met lezen in je leesboek!
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Programma

1. Lezen 

2. Herhaling vorige les

3. Uitleg vragend voornaamwoord en aanwijzend voornaamwoord

3. Zelfstandig werken 

4. Afsluiting 

Wat leer je deze les?
1. Je kunt het vragend voornaamwoord herkennen en benoemen.
2. Je kunt het aanwijzend voornaamwoord herkennen en benoemen. 
Weektaak deze week:
Blz. 90-91 opdr. 1, 2, 3, 4 
Blz. 120-121 opdr. 1, 2, 3, 4

Slide 2 - Tekstslide

De woordsoorten

1. zelfstandig naamwoord (abstract, concreet en eigennaam)

1. lidwoorden (bepaalde en onbepaalde)

2. bijvoeglijk naamwoord (stoffen)

3. zelfstandig werkwoord

3. hulpwerkwoord

4. aanwijzend voornaamwoord

4. vragend voornaamwoord

5. voorzetsel

6. bijwoord

Slide 3 - Tekstslide

Noteer: hww, zww, zn, bn
  • 1. Op welke dag zal die nieuwe serie uitkomen?
  • 2. hww = zal
  • 3. zww = uitkomen
  • 4. zn = dag, serie
  • 5. bn = nieuwe

Slide 4 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
  • 1. Een aanwijzend voornaamwoord wijst een mens, dier of een ding aan:
  • - deze, die, dit, dat, zulke, zo'n, dergelijke, zelf, hetzelfde, dezelfde.

  • - deze witte iPhone vind ik mooier dan zo'n zwarte. Vind jij dat ook?

  • Let op: 
  • Dat en die zijn alleen aanw. vnw. als je ze kunt vervangen door dit en deze. 
  • Woorden die een plaats of richting (daarheen, daarlangs) aangeven zijn geen aanw. vnw. 




Slide 5 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord (vr. vnw.)
  • 1. Er zijn vier vragende voornaamwoorden: wie, wat, welk(e), wat voor een.
  • 2. Meestal staan ze aan het begin van een vraag. 

  • - Wie van jullie wil even een boodschap voor me doen?
  • - Naar welk land ga je op vakantie (zodra het weer mag)?
  • Let op:
  • Wie en wat zijn geen vr. vnw. als ze terugwijzen naar een eerder genoemd woord: Die leuke jongen over wie je me zonet vertelde, zwaait naar je!





Slide 6 - Tekstslide

Aan de slag

1. Maak je weektaak af.

2. Steek je vinger op als je een vraag hebt.


Klaar? 

1. Kijk je werk na.

2. Je kunt gaan lezen.

3. Je kunt verder werken.

timer
10:00
Weektaak deze week:
Blz. 90-91 opdr. 1, 2, 3, 4 
Blz. 120-121 opdr. 1, 2, 3, 4

Slide 7 - Tekstslide

Wat is GEEN aanwijzend voornaamwoord
A
deze
B
die
C
dat
D
daarlangs

Slide 8 - Quizvraag

Waar of niet waar?
De woorden die en dat zijn alleen aanw. vnw. als je ze kunt vervangen door dit en deze.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Wat is geen vragend voornaamwoord?
A
wie
B
welke
C
waarom
D
wat

Slide 10 - Quizvraag

Waar of niet waar?
Er kan maximaal 1 zelfstandig werkwoord (zww) in een zin staan.
A
niet waar
B
waar

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het zelfstandig werkwoord?
Hij zal het aan de docent moeten vragen.
A
zal
B
vragen
C
moeten
D
geen

Slide 12 - Quizvraag

Voorzetsel (vz)
1.Een voorzetsel geeft vaak plaats, tijd of reden/oorzaak aan.
Plaats: aan het water, te Leeuwarden, bij de bushalte.
Tijd: na de kerstvakantie, tijdens de wandeling.
Reden/oorzaak: vanwege de file, door het succes.

Let op: delen van scheidbare werkwoorden (aankijken, namaken, uitschelden) noem je geen voorzetsel. Deze woordjes horen bij het werkwoord.

De trein komt over drie minuten aan.                                 Hij vroeg de aantekeningen aan haar.
aan = geen voorzetsel                                                      aan = wel een voorzetsel








Slide 13 - Tekstslide

Bijwoord 1 (bw)
1.Een bijwoord kan van alles aangeven, bijvoorbeeld:
  • tijd: gisteren, morgen, straks, vroeger, tegenwoordig;
  • plaats: er, daar, hier, nergens, overal;
  • zekerheid: absoluut, ongetwijfeld, vast, echt;
  • ontkenning: niet, nooit.

2. Ook woorden zoals: wanneer, waardoor, waarheen, waarom, hoe zijn bijwoorden.









Slide 14 - Tekstslide

Bijwoord 2 (bw)
3. Een bijwoord kan ook iets vertellen over een ander woord:
  • een werkwoord: Emma fietst snel.
  • een bijvoeglijk naamwoord: hij verkoopt heel gezonde snacks.
  • een ander bijwoord: De atleet liep bijzonder hard tijdens de wedstrijd.

4. Soms lijkt een bijwoord op een bijvoeglijk naamwoord, maar er is verschil!!
  • - Een bn zegt iets over een zn -> een bijwoord niet!
  • Hidde kan goed (bw) pianospelen.
  • De laburintrenner is een goed (bn) boek.








Slide 15 - Tekstslide

Hulpwerkwoord (hww)
1. Hulpwerkwoorden komen voor in zinnen met meer dan één werkwoord.
2. Ze 'helpen' om het gezegde te maken: hebben, zijn, worden, zullen, kunnen, mogen.

  • Bij de bakker kun je echt lekker brood kopen.  
  • Een avond gamen zal veel concentratie kosten.
  • PSV zal dit jaar waarschijnlijk geen kampioen worden.
                                 Let op: ZWW staat meestal achteraan in de zin!

Slide 16 - Tekstslide

Afsluiting

1. zelfstandig naamwoord (abstract, concreet en eigennaam)

1. lidwoorden (bepaalde en onbepaalde)

2. bijvoeglijk naamwoord (stoffen)

3. zelfstandig werkwoord

3. hulpwerkwoord

4. aanwijzend voornaamwoord

4. vragend voornaamwoord

5. voorzetsel?

6. bijwoord?

Benoem de voorzetsels en de bijwoorden!

Die jongen uit klas 4 heeft gisteren hard gewerkt.


Slide 17 - Tekstslide