🎯 Persoonlijk voornaamwoord (1e & 4e naamval)
1e naamval (nominatief) = onderwerp
→ ich, du, er, sie, wir…
4e naamval (accusatief) = lijdend voorwerp
→ mich, dich, ihn, sie, uns…
Na deze voorzetsels gebruik je altijd de 4e naamval:
→ durch, für, ohne, gegen, um
👉 Voorbeeld:
Ich gehe ohne dich.