Classe 2 grammaire des verbes boire et croire

Grammaire
D'abord on va répéter het bijwoord
Après on va apprendre les verbes boire et croire 
 
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Grammaire
D'abord on va répéter het bijwoord
Après on va apprendre les verbes boire et croire 
 

Slide 1 - Tekstslide

Bijwoord 
Wat is het verschil tussen een bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord?

Exemple:
Een beleefde jongen.            Un garçon poli.
Hij groet beleefd.               Il salue poliment.

Slide 2 - Tekstslide

Wat is het juiste bijwoord?
heureux > ......

Slide 3 - Open vraag

Wat is het juiste bijwoord?
vrai > ......

Slide 4 - Open vraag

Wat is het juiste bijwoord?
premier > ......

Slide 5 - Open vraag

Wat is het juiste bijwoord?
aimable > .........

Slide 6 - Open vraag

Bijwoord 
Let op de volgende uitzonderingen:

Un bon photographe > Il photographie bien                (goed)
Un mauvais photographe > Il photographie mal          (slecht)
Un meilleur photographe > Il photographie mieux       (beter)

Hier is het bijwoord dus zonder '-ment'

Slide 7 - Tekstslide

Sleep de woorden naar de goede plek!
goed
slecht
beter
mal
bon
mieux
meilleur
bien
mauvais

Slide 8 - Sleepvraag

BOIRE

Slide 9 - Tekstslide

wij drinken
A
nous buvions
B
nous boirons
C
nous boivons
D
nous buvons

Slide 10 - Quizvraag

zij drinken
A
ils boivent
B
elle boit
C
elles boirent
D
ils buvent

Slide 11 - Quizvraag

hij dronk
A
il buvais
B
il boivait
C
il a bu
D
il buvait

Slide 12 - Quizvraag

zij heeft gedronken
A
elle a boiru
B
elle buvait
C
elle a bu
D
elle avait bu

Slide 13 - Quizvraag

jullie drinken
jij drinkt
wij drinken
zij dronken
jij hebt gedronken
zij drinkt
zij drinken
nous buvons
tu bois
elle boit
vous buvez
ils boivent
tu as bu 
elles buvaient

Slide 14 - Sleepvraag

CROIRE
je vervoegt het w.w. op dezelfde manier al BOIRE

Slide 15 - Tekstslide

croire (geloven)
Présent: rijtje uit je hoofd leren ( ik geloof)
Passé composé: avoir + cru( ik heb geloofd)
Imparfait: croy +  uitgangen ais, ais,ait,ions,iez,aient (ikgeloofde)
Futur simple: croir+ uitgangen ai, as, a, ons, ez, ont ( ik zal geloven)
Conditionnel : croir + uitgangen ais, ais, ait, ions, iez, aient (ik zou geloven)

Slide 16 - Tekstslide

Croire - présent
Apprendre
NL
Je
Je crois
Ik geloof
Tu
Tu crois 
Jij gelooft
Il / Elle / On
Il croit
Hij gelooft
Nous
Nous croyons
We geloven
Vous
Vous croyez
Jullie geloven
Ils / Elles
Ils croient
Zij geloven

Slide 17 - Tekstslide

Croire - Andere tijden
Frans
NL
Passé composé
J'ai cru
Ik heb geloofd 
Imparfait
Je croyais 
Ik geloofde
Futur simple
Je croirai
Ik zal geloven
Conditionnel
Je croiais
Ik zou geloven

Slide 18 - Tekstslide