3Mavo Prepare Test Unit 3

M3 Prepare Test Unit 3
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

M3 Prepare Test Unit 3

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatica onderdelen Test Unit 3
- Future: will/shall & to be going to

- Some, any, something, anything...

- Have to, must, should

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Will or to be going to
Je gebruikt will + hele werkwoord als:

iemand een voorspelling doet zonder dat er bewijs is.
iemand iets van plan is / een beslissing maakt en dat op dat moment aangeeft.
Je gebruikt to be going to + hele werkwoord als:
iemand een voorspelling doet en er bewijs is.
iemand iets van plan is / een beslissing maakt en dat al vaststaat / eerder is afgesproken.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

to be going to

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

will, shall, won't

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Future: will / shall

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Shall, will of going to?
Tickets ___ soon be available online
A
shall
B
will
C
is going to be
D
are going to be

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tonight, the full moon .... (will/shall/going to) be visible
A
will
B
shall
C
is going to

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

WILL/SHALL/GOING TO?
Look at the sun! It ....... be hot today!
A
is going to
B
will

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

will/shall or to be going to?
My hands are dirty. I ... wash them.
A
will
B
shall
C
am going to

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

will/shall or to be going to?
I'm sure she ... lend us some money. She is very rich.
A
will
B
shall
C
is going to

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

will/shall or to be going to?
It is very warm in this room. ... I open a window?
A
Will
B
Shall
C
Am I going to

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

will/shall/ (to be) going to
Marvin ___ a party next week.
A
will throw
B
is going to throw
C
shall throw

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Will/shall/ (to be) going to
When ..... we go?
A
Will
B
shall
C
are going to go

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Will/shall/( to be) going to
My brother is mad, he ............ cry.
A
he will
B
he shall
C
he is going to

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

 Some & any

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

something/anything

somebody/anybody

somewhere/anywhere
iets

iemand

ergens

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

She ate any / some bread and cheese.
A
any
B
some

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

She didn't ate any / some bread.
A
any
B
some

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I don't have some/any sugar left. I'll go and borrow some/any from the neighbour.
A
some / some
B
any / some
C
some / any
D
any / any

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

On my birthday, I got ___ cards.
A
some
B
any

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Do you have ___ pets?
A
some
B
any

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

There are hardly ___ students here.
A
some
B
any

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Would you like ___ to drink?
A
something
B
anything

Slide 24 - Quizvraag

Je biedt iets aan.

Als je vraagt of er iets te drinken is: Do you have anything to drink?
I have to go, I need to be ___ in five minutes.
A
somewhere
B
anywhere

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat past het beste in de zin? Kies uit: some - any - something - anything - anybody - someone - anyone - somewhere - anywhere

Joan asked .... to bing her to school.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Have to, must, should
Have to gebruik je om aan te geven dat iets moet. Het klinkt informeel. In het Nederlands gebruik je dan ‘moeten’
Must gebruik je, net als have to, om aan te geven dat iets moet, maar het klinkt formeler en dwingender dan have to. Je gebruikt must vooral voor wetten, regels en bevelen – dus als iets echt belangrijk is. 
Should betekent: iets zou moeten, iets is belangrijk. Je gebruikt should in adviezen. In het Nederlands gebruik je dan vaak ‘zou(den) eigenlijk moeten’ of ‘kan / kunt / kunnen beter’.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

I __________ go to an interview tomorrow
A
can't
B
should
C
have to
D
must

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

You __________ enter the operating room without wearing protective gear.
A
can't
B
should
C
have to
D
must

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

If you like art you __________ visit the Musée d’Orsay in Paris.

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Fire regulations say you __________ leave the building immediately if you hear the fire alarm.

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

How do you feel about your upcoming
test of Unit 3?
😒🙁😐🙂😃

Slide 32 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Good luck with preparing 
your test!

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies