Tijd: Van seconden tot eeuwen

Tijd: Van seconden tot eeuwen
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
MathPrimary EducationAge 12

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Tijd: Van seconden tot eeuwen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel
Aan het einde van deze les kun je tijd meten en rekenen met verschillende eenheden, zoals seconden, minuten, uren, dagen, maanden, jaren, kwartalen en eeuwen.

Slide 2 - Tekstslide

Geef een kort overzicht van het leerdoel van de les en wat de studenten aan het einde moeten kunnen.
Wat weet je al over tijd en de verschillende eenheden?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is tijd?
Tijd is een meetbaar concept dat verandering en opeenvolging van gebeurtenissen aangeeft. Het helpt ons bij het organiseren en begrijpen van ons leven.

Slide 4 - Tekstslide

Introduceer het concept van tijd en waarom het belangrijk is in ons dagelijks leven.
Seconden, minuten en uren
Seconden zijn de kleinste eenheid van tijd. 60 seconden vormen een minuut en 60 minuten vormen een uur.

Slide 5 - Tekstslide

Leg de basisuitwisseling tussen seconden, minuten en uren uit. Geef voorbeelden en laat de studenten enkele oefeningen doen.
Dagen en maanden
Een dag bestaat uit 24 uur. Een maand heeft verschillende aantallen dagen, afhankelijk van de maand. De meeste maanden hebben 30 of 31 dagen, behalve februari, die 28 of 29 dagen heeft in een schrikkeljaar.

Slide 6 - Tekstslide

Beschrijf hoe dagen en maanden zijn gestructureerd en leg uit waarom sommige maanden meer dagen hebben dan andere. Laat de studenten enkele oefeningen doen om dagen en maanden om te zetten.
Jaren en eeuwen
Een jaar bestaat uit 365 dagen, behalve in een schrikkeljaar wanneer het 366 dagen heeft. Een eeuw is een periode van 100 jaar.

Slide 7 - Tekstslide

Leg uit hoe jaren en eeuwen zijn opgebouwd en hoe schrikkeljaren werken. Laat de studenten enkele oefeningen doen om jaren en eeuwen om te zetten.
Kwartalen
Een kwartaal is een periode van drie maanden. Er zijn vier kwartalen in een jaar: Q1 (januari - maart), Q2 (april - juni), Q3 (juli - september) en Q4 (oktober - december).

Slide 8 - Tekstslide

Beschrijf wat een kwartaal is en hoe het is verdeeld over een jaar. Laat de studenten enkele oefeningen doen om kwartalen te identificeren en te berekenen.
Oefening: Tijdsommen
Bereken de totale tijd: 2 uur 30 minuten + 1 uur 45 minuten.

Slide 9 - Tekstslide

Geef een oefening waarin studenten moeten leren om tijd op te tellen. Bespreek de oplossing en laat de studenten vergelijkbare oefeningen maken.
Opgave: Dagen, maanden en jaren
Bereken hoeveel dagen, maanden en jaren er zijn tussen 1 januari 2020 en 1 mei 2022.

Slide 10 - Tekstslide

Geef een complexere opgave waarin studenten moeten berekenen hoeveel dagen, maanden en jaren er zijn tussen twee datums. Bespreek de oplossing en laat de studenten vergelijkbare opgaven maken.
Oefening: Tijdrekenen
Reken de tijd om naar seconden: 3 uur 20 minuten.

Slide 11 - Tekstslide

Geef een oefening waarin studenten tijd moeten omrekenen naar seconden. Bespreek de oplossing en laat de studenten vergelijkbare oefeningen maken.
Samenvatting
Tijd is een essentieel concept in ons leven. We hebben verschillende eenheden, zoals seconden, minuten, uren, dagen, maanden, jaren, kwartalen en eeuwen, om tijd te meten en te begrijpen.

Slide 12 - Tekstslide

Vat de belangrijkste punten van de les samen en benadruk het belang van tijd in ons dagelijks leven.
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 13 - Open vraag

De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Slide 14 - Open vraag

De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 15 - Open vraag

De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.