Taal Compleet 2.5

Taal Compleet 2.5

Voltooid Deelwoord

1 / 16
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTaalISK

In deze les zitten 16 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Taal Compleet 2.5

Voltooid Deelwoord

Wat weten we al?



Je kunt zeggen hoe een werkwoord in de tegenwoordige tijd staat:

Fietsen

Tegenwoordige tijd (nu)

ik:

jij:

hij/zij:

wij:


fiets

fietst

fietst

fietsen


Verleden tijd:

Nu gaan we leren hoe je kan zeggen dat iets geweest is.

Je gebruikt het werkwoord + het werkwoord hebben of zijn.

Voor het werkwoord voeg je ge (behalve als het werkwoord begint met be-,ver,er,ge,her,ont,ver).

wie / wat 1e werkwoord rest vd zin 2e werkwoord

ik heb gisteren gefietst

Laatste letter -t of -d

Om erachter te komen of de laatste letter een t of een d is gebruik je het volgende stappen plan.

  1. Kijk naar het hele werkwoord. Haal -en eraf (de ik-vorm) fietsen -en = fiets

  2. Is de laatste letter een s, f, t, k, ch of p? Ja = laatste letter t | Nee = laatste letter een d fiets = fietst

  3. Schrijf ge- voor de ik vorm en voeg de t of d aan het eind. Ik heb gefietst

Oefenen:


Pak je wisbord en schrijf het antwoord op de volgende vraag op.


Klaar?

Laat je bordje aan de docent zien!

Ik heb ______ (werken)

Ik heb gewerkt

Ik heb ______ (maken)

Ik heb gemaakt

Ik ben ______ (landen)

Ik ben geland

Ik ben ______ (verhuizen)

Ik ben verhuisd

Ik heb ______ (koken)

Ik heb gekookt

Ik heb ______ (leven)

Ik heb geleefd

Ik heb ______ (werken)

Ik heb gewerkt

Ik heb ______ (werken)

Ik heb gewerkt

Ik heb ______ (werken)

Ik heb gewerkt

Ik heb ______ (werken)

Ik heb gewerkt

Ik heb ______ (werken)

Ik heb gewerkt