Taal Compleet 2.5
Voltooid Deelwoord
Taal Compleet 2.5
Voltooid Deelwoord
Wat weten we al?
Je kunt zeggen hoe een werkwoord in de tegenwoordige tijd staat:
Fietsen
Tegenwoordige tijd (nu)
ik:
jij:
hij/zij:
wij:
fiets
fietst
fietst
fietsen
Verleden tijd:
Nu gaan we leren hoe je kan zeggen dat iets geweest is.
Je gebruikt het werkwoord + het werkwoord hebben of zijn.
Voor het werkwoord voeg je ge (behalve als het werkwoord begint met be-,ver,er,ge,her,ont,ver).
wie / wat 1e werkwoord rest vd zin 2e werkwoord
ik heb gisteren gefietst
Laatste letter -t of -d
Om erachter te komen of de laatste letter een t of een d is gebruik je het volgende stappen plan.
Kijk naar het hele werkwoord. Haal -en eraf (de ik-vorm) fietsen -en = fiets
Is de laatste letter een s, f, t, k, ch of p? Ja = laatste letter t | Nee = laatste letter een d fiets = fietst
Schrijf ge- voor de ik vorm en voeg de t of d aan het eind. Ik heb gefietst
Oefenen:
Pak je wisbord en schrijf het antwoord op de volgende vraag op.
Klaar?
Laat je bordje aan de docent zien!
Ik heb ______ (werken)
Ik heb gewerkt
Ik heb ______ (maken)
Ik heb gemaakt
Ik ben ______ (landen)
Ik ben geland
Ik ben ______ (verhuizen)
Ik ben verhuisd
Ik heb ______ (koken)
Ik heb gekookt
Ik heb ______ (leven)
Ik heb geleefd
Ik heb ______ (werken)
Ik heb gewerkt
Ik heb ______ (werken)
Ik heb gewerkt
Ik heb ______ (werken)
Ik heb gewerkt
Ik heb ______ (werken)
Ik heb gewerkt
Ik heb ______ (werken)
Ik heb gewerkt