V3X boek-so 5

boek-so 5
les 1 (donderdag 18 juni): slide 2 tot en met 23
les 2 (maandag 22 juni): slide 24 tot en met 32
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

boek-so 5
les 1 (donderdag 18 juni): slide 2 tot en met 23
les 2 (maandag 22 juni): slide 24 tot en met 32

Slide 1 - Tekstslide

Fictie
- Genres (niet in methode NN)
- Personages (blz. 43)
- Perspectieven (blz. 43)
- Thema (blz. 131)

Slide 2 - Tekstslide

Bedoeling van fictie
  • meeleven met personages
  • nadenken over de wereld/ zichzelf
  • nadenken over het onderwerp
  • genieten van de schrijfstijl
  • ontspanning

Slide 3 - Tekstslide

Personages
*hoofdpersoon
*bijpersonen

Slide 4 - Tekstslide

Hoofdpersoon

Een hoofdpersoon herken je aan de volgende dingen:

- wordt uitgebreid beschreven

- het grootste deel 'beleef' je vanuit de ogen van dit personage

- het doel van het boek is het oplossen van een groot probleem of een belangrijke opdracht van dit personage

- wordt een round character genoemd.

Slide 5 - Tekstslide

Bijfiguren
Een bijfiguur herken je vaak als volgt:
- Wordt eenvoudig beschreven, summier, wel aandacht voor het uiterlijk. 
- Is vaak of leuk of niet, slecht of goed: ze helpen de hoofdpersoon of JUIST niet. 
- Zijn vaak een stereotype, oftewel een flat character.

Slide 6 - Tekstslide

Personages beschrijven en karakterontwikkeling

Je kunt personages beschrijven aan de hand van:

- Uiterlijk

- Kenmerken (geslacht, leeftijd, gezondheid, achtergrond)

- Karaktereigenschappen

- Relaties met andere personages



Slide 7 - Tekstslide

Karakter


Komt vaak voor in het verhaal


Maakt een karakterontwikkeling door


Type


Is een bepaald soort mens


Maakt geen karakterontwikkeling door

Slide 8 - Tekstslide


Helper


helpt de hoofdpersoon het probleem op te lossen.





Tegenstander


maakt het de hoofdpersoon moeilijk

Bijfiguren

Slide 9 - Tekstslide

Maak een sociogram
Een sociogram is een schema waarin je alle personages in hun relatie tot de andere personages laat zien. Als je in een zoekmachine 'sociogram' intypt en zoekt naar afbeeldingen, kun je veel verschillende voorbeelden zien. 
Maak nu eens een sociogram van de personages uit het boek dat jij aan het lezen bent. Wees zo volledig mogelijk.   
Lever in via Teams.

Slide 10 - Tekstslide

Perspectieven

Slide 11 - Tekstslide

Perspectief: een punt van waaruit iemand naar iets kijkt of waarneemt

Slide 12 - Tekstslide

Perspectief
Bepaalt de visie op gebeurtenissen en personages

De lezer / kijker kun je manipuleren.

Slide 13 - Tekstslide

Ik-perspectief
  • Een 'ik' beleeft het verhaal


Alwetende verteller
  •  weet alles (over personages en afloop)
  • geeft commentaar
  • richt zich tot de lezer
Personaal perspectief
  • Een 'hij/zij' beleeft het verhaal

Meervoudig perspectief
  • wisselend perspectief vanuit meerdere personen

Slide 14 - Tekstslide

Welk vertelperspectief wordt gebruikt?
"Vanaf dat moment was er altijd wel iemand van de familie bij me in de buurt. Alsof mijn vader instructies had gegeven om me in de gaten te houden. Vooral mijn broer, die normaal nooit interesse in mijn leven heeft, hing opvallend vaak bij mij in de buurt rond."

Uit: Paradise Now van Anouk Saleming

Slide 15 - Tekstslide

Welk perspectief heb je net gelezen in 'Paradise Now'?
A
ik-perspectief
B
personaal perspectief
C
alwetende verteller
D
meervoudig perspectief

Slide 16 - Quizvraag

Welk vertelperspectief wordt gebruikt?
"Melle had geleerd dat oplossingen vaak vlak voor je neus liggen. En jawel, hij zag zijn redding aan de overkant van de straat staan. Of beter: hij rook hem. Een vrachtwagen was het, met aan de achterkant een metalen laddertje. Als hij de chauffeur kon overhalen om een paar meter verder te rijden, dan kon hij erop klimmen om zijn beanie te pakken."

Uit: De vlucht van de kraanvogel  van Danny de Vos

Slide 17 - Tekstslide

Welk perspectief heb je net gelezen in 'De vlucht van de kraanvogel'?
A
ik-perspectief
B
personaal perspectief
C
alwetende verteller
D
meervoudig perspectief

Slide 18 - Quizvraag

Slide 19 - Video

1. Wie is / zijn de hoofdperso(o)n(en)?

Slide 20 - Open vraag

2. Wie is / zijn de bijfigu(u)r(en)?

Slide 21 - Open vraag

3. Vanuit welk perspectief zie je het fragment?

Slide 22 - Open vraag

4. Noteer nu vanuit welk perspectief je eigen boek is geschreven. Is de verteller betrouwbaar?

Slide 23 - Open vraag

Thema
Meestal in een paar woorden of een zin weer te geven.
Is eigenlijk de kortste samenvatting die je van het boek kunt geven.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Welke van de onderstaande uitspraken klopt?
A
Het thema van een verhaal is een terugkerend element.
B
Het thema van het verhaal is het abstracte begrip waar het verhaal om draait.
C
Het thema van het verhaal is een tastbaar begrip in het verhaal met een betekenis.
D
Het thema van het verhaal is datgene wat de hoofdpersoon wil bereiken.

Slide 26 - Quizvraag

Wat is het thema van het door jou gelezen boek voor boek-so 5?

Slide 27 - Open vraag

Argumenten
Er zijn veel verschillende soorten argumenten te geven bij jouw oordeel over het boek. De uitleg hierover vind je op de volgende slides.

Slide 28 - Tekstslide

Soorten argumenten (1)
  • Realistische argumenten: over de personages en gebeurtenissen in relatie tot de werkelijkheid. Is het verhaal geloofwaardig, komen de personages levensecht over, zijn de gebeurtenissen voorstelbaar?
  • Emotieve argumenten: over de gevoelens die de tekst bij de lezer oproept. Raakt het verhaal je? Hoe komt de sfeer van het verhaal over? Je gebruikt in je argumentatie bijvoorbeeld woorden als beklemmend, meeslepend, fascinerend, aangrijpend, verrassend, ontroerend. 

Slide 29 - Tekstslide

Soorten argumenten (2)
  • Morele argumenten: over normen en waarden. Wat is je oordeel over het standpunt dat of de houding die personages innemen? Hoe reageren personages op gebeurtenissen? Handelen zij goed/slecht? Keur je hun handelen goed of af, en waarom? Word je geïnspireerd na te denken over de normen en waarden van het verhaal?
  • Structurele argumenten: over de opbouw van het verhaal. Wat vind je van de vorm/opbouw van het verhaal? Je gebruikt in je argumentatie woorden als: samenhangend, eenheid, uitgebalanceerd, complex.

Slide 30 - Tekstslide

Soorten argumenten (3)
  • Stilistische of esthetische argumenten: over de stijl en formulering. Vind je het verhaal mooi, origineel, slap, of clichématig? Wat vind je van het literair taalgebruik: beeldspraak, stijlmiddelen, woordgebruik?

Slide 31 - Tekstslide

Schrijf een beoordeling over het boek dat je hebt gelezen voor boek-so 5. Gebruik hiervoor minimaal twee verschillende soorten argumenten (zie voorgaande slides)

Slide 32 - Open vraag