Thema 5 - Dierenmanieren

Thema 5 taal
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalBasisschoolGroep 4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Thema 5 taal

Slide 1 - Tekstslide

Dierenmanieren

Slide 2 - Tekstslide

Wat zijn kieuwen?
A
Waar een vis mee zwemt
B
Het te eten geven aan een dier
C
Waar een vis mee ademt
D
jonge, kleine visjes

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een kanarie?
A
Plaatje 1
B
Plaatje 2
C
Plaatje 3

Slide 4 - Quizvraag

Wat is een dwergkonijn?
A
Plaatje 1
B
Plaatje 2
C
Plaatje 3

Slide 5 - Quizvraag

Mats heeft een nieuwe computer. Hoe weet hij hoe die werkt?
Waarin moet hij kijken?
A
In een krant
B
In een handleiding.
C
In een artikel
D
In een leesboek

Slide 6 - Quizvraag

Ik mag oppassen op het kind van tante Diana. Wat is een ander woord voor oppassen?
A
eten
B
opletten
C
spelen
D
boodschappen doen

Slide 7 - Quizvraag

Je geeft iemand een tip.
Wat geef je dan?
A
Een goed raad.
B
Een knuffel
C
Een tik.
D
Een praatje.

Slide 8 - Quizvraag

Pim leest de instructie bij de sommen.
Wat staat er in een instructie?
A
Een waarschuwing dat je iets niet moet doen.
B
Een aanwijzing hoe je iets moet doen.
C
Informatie over het programma.
D
Een toets waarmee je laat zien wat je kunt.

Slide 9 - Quizvraag

De ziekenauto was snel bij het noodgeval. Wat gebeurt er bij een noodgeval?
A
Iets wat leuk is.
B
Iets wat erg is.
C
Iets wat onbelangrijk is.
D
Iets wat saai is.

Slide 10 - Quizvraag

Wat is strelen?
A
Hard iets zeggen.
B
Hard over de huid wrijven
C
Zachtjes iets zeggen.
D
Zachtjes over de huid wrijven.

Slide 11 - Quizvraag

Waar zie je op het plaatje de tralies?
A
Plaatje A
B
Plaatje B
C
Plaatje C

Slide 12 - Quizvraag

Waarom staat het bord bij het hok?
A
Om informatie te geven.
B
Om mensen te waarschuwen.
C
Om te zeggen waar je moet zijn.

Slide 13 - Quizvraag

Wat doet de leeuwin op het plaatje?
A
Brullen
B
Jagen
C
Slapen
D
Zogen

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het waar-deel in de
volgende zin?
De jas hangt aan het haakje.
A
De jas
B
hangt
C
aan het haakje
D
De jas hangt

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het waar-deel in de
volgende zin?
Op de grond ligt een muts.
A
een muts
B
ligt
C
op de grond
D
de muts ligt

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het waar-deel in de
volgende zin?
De bloemen staan in de vaas.
A
in de vaas
B
staan
C
De bloemen
D
de bloemen staan

Slide 17 - Quizvraag

Welke zin is goed ingekort?

Het kleine meisje speelt op de stoep.
A
Het meisje op de stoep
B
Het meisje speelt
C
Kleine speelt op de stoep.
D
De kleine op de stoep.

Slide 18 - Quizvraag

Welke zin is goed ingekort?

De voetballer schopt hard tegen de bal.
A
De voetballer schopt.
B
De voetballer
C
Schopt hard tegen de bal
D
schopt hard.

Slide 19 - Quizvraag

Je maakt een zin korter.
Welke stukjes van de zin
blijven altijd staan?
A
Het bijvoeglijk naamwoord.
B
Het waar-deel.
C
Het werkwoord.
D
Het wie-deel.

Slide 20 - Quizvraag

Anna tekent op de stoep.
Dit is een vertelzin.
Wat is hierbij een goede vraagzin?
A
Anna tekent.
B
Tekent Anna op de stoep.
C
Wat tekent Anna?
D
Tekent Anna op de stoep?

Slide 21 - Quizvraag

Gebruikt Anna mooie kleuren?
Dit is een vraagzin.
Wat is hierbij een goede vertelzin?
A
Anna kleurt
B
Anna gebruikt mooie kleuren.
C
Anna gebruikt
D
Mooie kleuren.

Slide 22 - Quizvraag

Spoelt de regen de kleuren weg?
Dit is een vraagzin.
Wat is hierbij een goede vertelzin?
A
De regen spoelt.
B
Kleuren spoelen weg
C
De regen spoelt de kleuren weg.
D
Spoelt weg.

Slide 23 - Quizvraag

Welke zin is onbeleefd?

A
Geef mij een pen!
B
Mag ik een pen?
C
Kan ik een pen krijgen?
D
Wil je mij een pen geven?

Slide 24 - Quizvraag

Welke zin is onbeleefd?

A
Pardon, dat is mijn bal.
B
Wil je van mijn bal afblijven?
C
Kan je mij mijn bal teruggeven?
D
Blijf van mijn bal af!

Slide 25 - Quizvraag

Welke zin is beleefd?

A
Hou op met dat gezeur.
B
Sorry, ik ben nog even bezig.
C
Wacht nou even!
D
Ga staan!

Slide 26 - Quizvraag