3kM Grenzen en identiteit moeilijke begrippen

3kM Grenzen en identiteit moeilijke begrippen
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

3kM Grenzen en identiteit moeilijke begrippen

Slide 1 - Tekstslide

Annexeren/inlijven 
Is een gebied bij je eigen gebied betrekken. 

Letterlijk: iets inpikken wat niet van jou is. 
Bij oorlogen werden vaak stukken land ingepikt. Letterlijk een stuk gebied inpikken.

Slide 2 - Tekstslide

Integratie 
Gaat over migranten die actief meedoen met de samenleving. Je gaat deel uitmaken van een groep met een andere identiteit. 

Bijvoorbeeld: Je bent van de VS verhuist naar Nederland. Je leert de taal, zodat je met iedereen hier kan praten, een studie kan volgen of werken. 

Slide 3 - Tekstslide

Euregio
= Samenwerkingsverband van gebieden aan twee kanten van de grens om problemen op te lossen die grensoverschrijdend zijn. 

Zijn opgericht om problemen in grensgebieden aan te pakken. 
Denk hier aan drugsoverlast of watervervuiling. 

Slide 4 - Tekstslide

Segregatie 
Segregatie houdt in dat verschillende groepen (bijvoorbeeld verschillende etnische groepen) zich van elkaar afscheiden.

In een gesegregeerde samenleving hebben mensen uit verschillende groepen niet tot nauwelijks contact met elkaar.

Bijvoorbeeld: mensen van Turkse afkomst gaan in Nederland alleen maar om met mensen van Turkse afkomst. Zij hebben geen contact met andere Nederlanders. 


Slide 5 - Tekstslide

Separatisme 
Het streven van een bevolkingsgroep naar een eigen, onafhankelijke staat. 

Denk hier aan het verhaal van de Noord-Ieren en Ierland of de Catalanen in Spanje. 
Zij willen graag een eigen staat zijn (zelf wetten en regels maken binnen hun gebied). 

Slide 6 - Tekstslide

Ontkerkelijking 
Situatie dat steeds minder mensen gelovig zijn of naar de kerk gaan. 



Slide 7 - Tekstslide

Lokalisme 
= het centraal plaatsen van de verbondenheid met de eigen woonplaats en de directe omgeving daarvan. 

Bijvoorbeeld jij woont in Nijmegen en voelt je heel erg verbonden met je woonplaats. 
Als jij je lokale identiteit (Nijmegenaar) belangrijker vindt dan de regionale en nationale identiteit dan noem je dat lokalisme 


Slide 8 - Tekstslide

Soeverein 
Een staat is soeverein wanneer hij binnen zijn grondgebied het hoogste gezag voert.

Hij bepaalt de wetten en regels binnen de grenzen van dat land of koninkrijk. 

Bijvoorbeeld bij ons in Nederland dat de koning. 


Slide 9 - Tekstslide

Participatie 
= Actief aan iets deelnemen. 

Als er in een wijk mensen zich minder met de wijk verbonden voelen, dan kan de mate van contact tussen minder worden. 
Het gevolg hiervan is dat de mensen minder goed op elkaar letten (betrokkenheid) en minder voor elkaar zorgen (participatie). 

Participatie in een wijk waar mensen zich wel verbonden voelen: voor de zieke buurvrouw boodschappen doen. 


Slide 10 - Tekstslide

Groepsidentiteit 
= Combinatie van opvallende kenmerken van een groep. 

Groepsidentiteit is een samenspel van hoe een groep zichzelf ziet, hoe de groep zich aan de buitenwereld presenteert en hoe de buitenwereld op de groep reageert.

Een groepsidentiteit  van een vereniging, bedrijf of natie is de samengestelde identiteit op basis van zelfbeelden en beelden van buitenstaanders.

Slide 11 - Tekstslide

Territoriale wateren 
De eerste 12 zeemijl (22 kilometer) vanaf de kust waar de wetten van de kuststaat gelden. 

In dit gebied is geldt bijvoorbeeld de Nederlandse wetgeving (Nederland heeft de volledige rechtsmacht) 

Slide 12 - Tekstslide

Exclusieve economische zone (EEZ) 
Een strook van 200 zeemijl die wordt beheerd door de kuststaat (bijvoorbeeld België). 

De kuststaat heeft in dit gebied recht om te vissen (visserijrechten) en het recht om natuurlijke hulpbronnen te winnen (bijvoorbeeld aardolie uit de bodem oppompen). 


Slide 13 - Tekstslide

Europese (groeps)identiteit 
= een combinatie van opvallende kenmerken in Europa en de verbondenheid daarmee. 

mensen in de EU-landen nemen steeds meer gewoonten, tradities en omgangsvormen van elkaar over, en gaan op dezelfde manier leven. 

Kenmerken van de Europese identiteit:
  • Waarde van democratie
  • De euro
  • Succesvolle economie
  • 'Eenheid in verscheidenheid' (in stukken toch één geheel)

Slide 14 - Tekstslide

Asiel 
Is bedoeld voor mensen die vluchten voor vervolging of geweld (oorlog) in hun eigen land. Bijvoorbeeld vanwege hun nationaliteit, etniciteit, religie of politieke overtuiging. Of omdat zij bij een bepaalde groep horen.

Slide 15 - Tekstslide

Leefbaarheid 
wordt aangegeven hoe aantrekkelijk en/of geschikt een gebied of gemeenschap is om er te wonen, of te werken. 

Slide 16 - Tekstslide

Pluriformiteit 
Een pluriforme samenleving is een samenleving waarin verschillende groepen mensen met elkaar samenleven

Slide 17 - Tekstslide

Bestuurlijke regio 
= Gebied met eigen regels en wetten. 

Provincies en gemeentes zijn bestuurlijke regio's. 
Bijvoorbeeld: gemeente Den Haag. 

Een gemeente kan bijvoorbeeld regels maken voor het bouwen van een theater, het aanleggen van een fietspad of het bouwen van woningen. 





Slide 18 - Tekstslide

Bestuurlijke grens 
=Grens tussen gebieden met een eigen bestuur. 

Bestuurlijke Grenzen bestaan uit de gemeente-, provincie- en landsrijksgrenzen

Slide 19 - Tekstslide

Grenspendel 
Verkeer tussen buurlanden van groepen mensen die in het ene land wonen en in het andere land werken. Hierdoor moeten zij vaak de grens oversteken. 

Bijvoorbeeld: Iemand woont in België, maar werkt in Nederland. Diegene moet elke werkdag de grens tussen België-Nederland oversteken. 

Slide 20 - Tekstslide

Regionale identiteit 
= een combinatie van opvallende kenmerken in een regio en de verbondenheid daarmee. 


Zo wordt 'de Limburgse identiteit' vaak gezien als een andere identiteit dan de lokale identiteit in de Achterhoek of in Groningen: je spreekt dan van een regionale identiteit. 

Tot een regionale identiteit behoren taal, economische activiteiten, feesten, religie en ook de streekproducten die specifiek voor de regio zijn.

Slide 21 - Tekstslide

 Uitsluiting
‘Uitsluiting vindt plaats wanneer de toegang tot deelname aan de samenleving wordt geweigerd aan de persoon.’

In eenvoudige taal: Je mag niet meedoen, omdat je een handicap hebt.

Voorbeelden:
Leerkracht weigert leerling: ‘in onze school geven we geen les aan kinderen met een verstandelijke beperking’.
‘Ik mag niet meer tappen bij een vzw. Ze vinden mij onbeleefd, ik vind dat ik direct ben.’

Slide 22 - Tekstslide

Lokale identiteit 
= de verbondenheid die je voelt met de eigen woonplaats en de directe omgeving daarvan en de opvallende kenmerken die bij de woonplaats en regio horen. 






Als je je lokale identiteit belangrijker vindt dan je regionale en nationale identiteit noem je dat

Slide 23 - Tekstslide