Les 30 juni

Wat gaan we vandaag doen?
Opwarmer
Werkwoorden hebben en zijn
Herhalen woorden vorige week
Meervouden
Algemene kennis quiz


1 / 82
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Enseignement Secondaire

In deze les zitten 82 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Wat gaan we vandaag doen?
Opwarmer
Werkwoorden hebben en zijn
Herhalen woorden vorige week
Meervouden
Algemene kennis quiz


Slide 1 - Tekstslide

Opwarmer
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2620864-hoe-groot-is-de-kans-dat-je-door-de-bliksem-wordt-geraakt

Slide 2 - Tekstslide

Werkwoorden hebben en zijn
https://nt2taalmenu.nl/nt2-a1-grammatica-werkwoorden-oefening1/


Slide 3 - Tekstslide


de suiker
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 4 - Quizvraag


de melk
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 5 - Quizvraag


het kopje
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 6 - Quizvraag


de thee
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 7 - Quizvraag


de koffie
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 8 - Quizvraag


de kan
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 9 - Quizvraag

Het meervoud

Slide 10 - Tekstslide

Meervoud
Het meervoud in het Nederlands

-en
-s

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Link

meervoud +en

Slide 13 - Tekstslide

voet - voeten
Zo maak je het meervoud:
                      een voet - twee voeten
                      een wang - twee wangen
                      een arm - twee armen
                      en tand - tien tanden

Je maakt het meervoud vaak met -en

Slide 14 - Tekstslide

woorden met een korte klank
een pan - vier pannen - pannenkoeken
een lip - twee lippen
een zus - vijf zussen
een bed - drie bedden

Slide 15 - Tekstslide

lange en korte klanken
a
e
i
o
u
aa
ee
(ie)
oo
uu
korte klanken
lange klanken

Slide 16 - Tekstslide

Wat is het meervoud van bord?

Slide 17 - Open vraag

Wat is het meervoud van taart?

Slide 18 - Open vraag

Wat is het meervoud van kip?

Slide 19 - Open vraag

Wat is het meervoud van hand?

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Link

Een lange klank
Het enkelvoud   heeft twee dezelfde klinkers 

één been        - twee benen
één oog          - twee ogen
één muur       - vier muren
één raam        - vijf ramen 

Slide 22 - Tekstslide

Let op! de -f en de -s
Is de laatste letter een
-> Je schrijft het meervoud met een v.
                                     
                                     een neef - twee neven
                                     een vijf - vijf vijven 



5

Slide 23 - Tekstslide

Let op! de -f en de -s
Is de laatste letter een s
-> Je schrijft het meervoud met een :

                                         een huis - veel huizen
                                         een muis - twee muizen 

Slide 24 - Tekstslide

lange en korte klanken
a
e
i
o
u
aa
ee
(ie)
oo
uu
korte klanken
lange klanken

Slide 25 - Tekstslide

Wat is het meervoud van brief?

Slide 26 - Open vraag

Wat is het meervoud van straat?

Slide 27 - Open vraag

Wat is het meervoud van doos?

Slide 28 - Open vraag

Wat is het meervoud van school?

Slide 29 - Open vraag

meervoud met -s

Slide 30 - Tekstslide

MEERVOUD met -S
Na -e, -el, -en, -em  en  -er  schrijf je een -s in het meervoud.

een meisje - twee meisjes
een sleutel - twee sleutels
een jongen - drie jongens
een bezem - drie bezems
een dokter - vier dokters
de lepels

Slide 31 - Tekstslide

Wat is het meervoud van winkel?

Slide 32 - Open vraag

Wat is het meervoud van ijsje?

Slide 33 - Open vraag

Wat is het meervoud van badkamer?

Slide 34 - Open vraag

Wat is het meervoud van oven?

Slide 35 - Open vraag

Wat is het meervoud van jongen?

Slide 36 - Open vraag

Wat is het meervoud van vinger?

Slide 37 - Open vraag

Slide 38 - Link

nu alles door elkaar

Slide 39 - Tekstslide

tafel
A
tafels
B
tafelen
C
tafellen
D
tafen

Slide 40 - Quizvraag

badkamer
A
badkameren
B
badkamerren
C
badkamers
D
baddenkamer

Slide 41 - Quizvraag

vliegtuig
A
vliegtuigs
B
vliegtuigen
C
vliegtuiggen
D
vliegentuig

Slide 42 - Quizvraag

bus
A
busen
B
bussen
C
buss
D
buzzen

Slide 43 - Quizvraag

druif
A
druifs
B
druifen
C
druiffen
D
druiven

Slide 44 - Quizvraag

trap
A
traps
B
trapen
C
trappen

Slide 45 - Quizvraag

kaas
A
kaasen
B
kaazen
C
kasen
D
kazen

Slide 46 - Quizvraag

bal
A
bals
B
balen
C
ballen

Slide 47 - Quizvraag

soms is Nederlands moeilijk
korte en lange klanken

Slide 48 - Tekstslide

poot
A
poots
B
pooten
C
poten
D
potten

Slide 49 - Quizvraag

pot
A
poten
B
potten
C
pots

Slide 50 - Quizvraag

boom
A
boomen
B
bomen
C
bommen
D
booms

Slide 51 - Quizvraag

beek
A
beeken
B
beken
C
beeks
D
beekken

Slide 52 - Quizvraag

bek
A
beken
B
bekken
C
beks

Slide 53 - Quizvraag

mees
A
meesen
B
meezen
C
mesen
D
mezen

Slide 54 - Quizvraag

mes
A
mesen
B
messen
C
mezen
D
mezzen

Slide 55 - Quizvraag

Galgje
https://claude.ai/public/artifacts/d6f34c32-a25b-4267-b5aa-945dcf5623fc


Slide 56 - Tekstslide

Slide 57 - Link

Quiz over Nederland
Quiz over Nederland
Quiz over Nederland

Slide 58 - Tekstslide

Hoeveel procent van
de Nederlanders spreekt Engels?
Hoeveel procent van
de Nederlanders spreekt Engels?
A
53%
B
90%
C
85%
D
34%

Slide 59 - Quizvraag

Hoe heet dit typisch Nederlandse eten?
Hoe heet dit typisch
Nederlandse eten?
A
beschuit met muisjes
B
beschuit met hagelslag
C
beschuit met dropjes
D
beschuit met hopjes

Slide 60 - Quizvraag

Hoeveel kaas eet een Nederlander gemiddeld per jaar?
Hoeveel kaas eet een
Nederlander gemiddeld per jaar? 
A
17 kilo
B
8 kilo
C
23 kilo
D
2 kilo

Slide 61 - Quizvraag

Hoeveel kilometer fietst een Nederlander per jaar gemiddeld?
Hoeveel kilometer fietst een
Nederlander per jaar gemiddeld?
A
400 km
B
750 km
C
1000 km
D
1100 km

Slide 62 - Quizvraag

Waar komt de tulp vandaan?
Waar komt de tulp vandaan?
A
uit Nederland
B
uit Brazilië
C
uit Turkije
D
uit Frankrijk

Slide 63 - Quizvraag

Van welke Nederlandse schilder zijn De 5 zintuigen (the 5 senses)?
Van welke Nederlandse schilder
zijn De 5 zintuigen (the 5 senses)?
A
Vincent Van Gogh
B
Rembrandt van Rijn
C
Johannes Vermeer
D
Frans Hals

Slide 64 - Quizvraag

Wat is de grootste haven (harbour) van Nederland?
Wat is de grootste haven
(harbour) van Nederland?
A
de haven van Amsterdam
B
de haven van Rotterdam
C
de haven van Texel
D
de haven van IJmuiden

Slide 65 - Quizvraag

De uitvinder van Bluetooth is een Nederlander.
De uitvinder van Bluetooth
is een Nederlander.
A
waar
B
niet waar

Slide 66 - Quizvraag

De oudste universiteit van Nederland is in..........
De oudste universiteit
van Nederland is in...
A
Amsterdam
B
Utrecht
C
Groningen
D
Leiden

Slide 67 - Quizvraag

Hoeveel fietsen zijn er in Nederland?
Hoeveel fietsen zijn er in Nederland?
A
11 miljoen
B
24 miljoen
C
31 miljoen
D
15 miljoen

Slide 68 - Quizvraag

Welke Nederlandse stad heeft GEEN vliegveld (airport)?
Welke Nederlandse stad heeft GEEN vliegveld (airport)?
A
Amsterdam
B
Rotterdam
C
Utrecht
D
Eindhoven

Slide 69 - Quizvraag

Hoeveel % van Nederland ligt onder zeeniveau?
Hoeveel % van Nederland
ligt onder zeeniveau?
A
5%
B
9%
C
13%
D
26%

Slide 70 - Quizvraag

Hoe heet dit typisch Nederlandse eten?
Hoe heet dit typisch
Nederlandse eten?
A
vleesballen
B
gehaktballen
C
bitterballen
D
krokantballen

Slide 71 - Quizvraag

Hoeveel mensen wonen er ongeveer in Nederland?
Hoeveel mensen wonen
er ongeveer in Nederland?
A
15 miljoen
B
17 miljoen
C
12 miljoen
D
20 miljoen

Slide 72 - Quizvraag

Wat betekent: "je ziet door de bomen het bos niet meer"?
Wat betekent:
"je ziet door de bomen het bos niet meer"?
A
Je hebt een bril nodig (you need a pair of glasses)
B
Je bent verdwaald (you're lost)
C
Je bent het overzicht kwijt, er is té veel informatie (you've lost the overview, there's too much information)
D
Advies of aanwijzing geven die niet klopt (giving someone advice or directions that are incorrect)

Slide 73 - Quizvraag

Nederland is het land met de meeste regen (most rain) in Europa
Nederland is het land met de meeste regen (most rain) in Europa.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 74 - Quizvraag

Wat betekent: "ik kijk de kat uit de boom"?
Wat betekent:
"ik kijk de kat uit de boom"?
A
Ik heb veel geduld (I have a lot of patience)
B
Ik wacht voordat ik actie neem (I wait before taking action)
C
Ik ben nieuwsgierig (I'm curious)
D
Ik vertel iets ongeloofwaardigs (I am saying something that's implausible)

Slide 75 - Quizvraag

Wie feliciteren we bij een verjaardagsfeest in Nederland?
Wie feliciteren we bij een
verjaardagsfeest in Nederland?
A
iedereen
B
de ouders van de jarige
C
de partner van de jarige
D
we feliciteren alleen de jarige

Slide 76 - Quizvraag

Nederland betekent letterlijk:
Nederland betekent letterlijk:
A
Laag (low) land
B
Water land
C
Hout (wood) Land
D
Zee land

Slide 77 - Quizvraag

Wat eten Nederlanders met Oud & Nieuw?
Wat eten Nederlanders met Oud & Nieuw?
A
erwtensoep
B
bitterballen
C
oliebollen
D
haring

Slide 78 - Quizvraag

Welk dier is sinds 2015 terug (back) in Nederland?
Tekst
Welk dier is sinds 2015 terug
(back) in Nederland?
A
B
C
D

Slide 79 - Quizvraag

Waar is de oudste vuurtoren (oldest lighthouse) van Nederland??
Waar is de oudste vuurtoren (oldest lighthouse) van Nederland??
A
Rotterdam
B
Terschelling
C
Katwijk
D
Zandvoort

Slide 80 - Quizvraag

Wat betekent: "Laten we de bloemetjes buiten zetten?"
Wat betekent:
"laten we de bloemetjes buiten zetten"?
A
Laten we een feestje geven!
B
Het gaat goed met ons!
C
De zon schijnt, we gaan naar buiten.
D
Het eerste erbij zijn.

Slide 81 - Quizvraag

hoeveel punten geef je jezelf?

0100

Slide 82 - Poll