LES 1:

1 / 69
volgende
Slide 1: Tekstslide
HeelkundeHoger onderwijs

In deze les zitten 69 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

- Hfdst 9: Dermatologie

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Evaluatie:
Permanente evaluatie (mondelinge bevraging tijdens les, skillslabmomenten, opdrachten,...)
Schriftelijk afgenomen tijdens de lessen 

Slide 8 - Tekstslide

REN JE ROT voor de TOILETPOT
- individueel
- 26 vragen/stellingen
- 2 levens
- verschillende vragen/stellingen
- hoek A B C D 

Slide 9 - Tekstslide

1. Welke stelling is correct?
A
De Epidermis bevat bloedvaten en zenuwen
B
De dermis bevat collageenvezels die stevigheid geven.
C
De subcutis maakt voortdurend nieuwe huidcellen aan.
D
De hoornlaag zorgt voor pigmentatie van de huid.

Slide 10 - Quizvraag

2. Welke stelling is correct?
A
De kiemlaag vormt nieuwe cellen en bevat melanine.
B
De hoornlaag bevat bloedvaten die voeding geven.
C
De lederhuid scheidt talg rechtstreeks af.
D
De subcutis regelt direct de tastzin.

Slide 11 - Quizvraag

3. Welke stelling is correct?
A
Talg maakt de huid stug en ondoordringbaar.
B
Talg wordt geproduceerd door zweetklieren.
C
Talg houdt de huid soepel en vettig.
D
Talg komt alleen voor op het voorhoofd.

Slide 12 - Quizvraag

4. Welke stelling is correct?
A
Kippenvel ontstaat door samentrekken van kleine spiertjes aan de haren.
B
Kippenvel ontstaat doordat bloedvaten in de subcutis samentrekken.
C
Kippenvel wordt veroorzaakt door uitdroging van de epidermis.
D
Kippenvel treedt enkel op bij emotie, niet bij kou.

Slide 13 - Quizvraag

5. Welke stelling is correct?
A
Rimpels ontstaan door een verdikking van de hoornlaag.
B
Rimpels ontstaan doordat het aantal collagene vezels in de dermis afneemt.
C
Rimpels ontstaan door een verhoogde talgproductie.
D
Rimpels ontstaan door toename van elastinevezels.

Slide 14 - Quizvraag

6. Welke stelling is correct?
A
De basale membraan bevindt zich tussen epidermis en dermis.
B
De basale membraan bestaat uit vetweefsel.
C
De basale membraan is enkel aanwezig in de subcutis.
D
De basale membraan vormt de talgklieren.

Slide 15 - Quizvraag

7. Welke stelling is correct?
A
De huid is geen orgaan omdat ze uit meerdere lagen bestaat.
B
De huid is het grootste orgaan van het menselijk lichaam.
C
De huid weegt gemiddeld 2 kilogram.
D
De huid kan geen vitamine D produceren.

Slide 16 - Quizvraag

8. Hoe heten de kleinste vertakkingen van de slagaders?

A
Venulen
B
Arteriolen
C
Venules
D
Capillairen

Slide 17 - Quizvraag

9. Welke bloedvaten voeren bloed vanuit het hart naar de weefsels?

A
Venen
B
Arteriolen
C
Arteriën
D
Capillairen

Slide 18 - Quizvraag

10. Wat gebeurt er in de haarvaten (capillairen)?

A
Het bloed wordt onder hoge druk rondgepompt
B
Uitwisseling van zuurstof, koolstofdioxide, voedings- en afvalstoffen
C
Opslag van rode bloedcellen
D
Aanmaak van witte bloedcellen

Slide 19 - Quizvraag

11. Wat is de functie van de slagaders (arteriae)?


A
Bloed onder lage druk naar het hart brengen
B
Uitwisseling van zuurstof, koolstofdioxide, voedings- en afvalstoffen
C
Bloed met zuurstof en voedingsstoffen onder hoge druk naar de weefsels vervoeren
D
Koolstofdioxide afvoeren naar de longen

Slide 20 - Quizvraag

12. Wat gebeurt er bij vasoconstrictie?


A
Het bloedvat verwijdt
B
Het bloedvat vernauwt
C
De kleppen sluiten
D
De spierpomp ontspant

Slide 21 - Quizvraag

13. Hoe helpt de spierpomp het bloed in de benen terug naar het hart te voeren?


A
Door samentrekken van skeletspieren die het bloed omhoog persen
B
Door elastische vezels in de aderwand
C
Door het pulseren van de slagaders
D
Door ontspanning van de intima

Slide 22 - Quizvraag

14. Welke stelling klopt over aseptische maatregelen?
A
Ze hebben als doel besmetting te voorkomen.
B
Ze hebben als doel ontstekingen te genezen.
C
Ze zorgen ervoor dat de wonde sneller dichtgroeit.
D
Ze vervangen altijd ontsmettingsmiddelen.

Slide 23 - Quizvraag

15. Wat is juist over reinigen bij wondzorg?
A
Reinigen is weinig zinvol en wordt beter niet uitgevoerd.
B
Reinigen is belangrijk om besmetting te voorkomen.
C
Reinigen is alleen nodig bij operatiewonden.
D
Reinigen wordt enkel bij chronische wonden toegepast.

Slide 24 - Quizvraag

16. Vitaal weefsel in de wondbodem wordt herkend aan…
A
Een geel aspect met beslag
B
Een zwart aspect (necrose)
C
Een rood aspect door neovascularisatie
D
Een grijs aspect zonder bloedvoorziening

Slide 25 - Quizvraag

17. In welke fase van wondheling zien we vooral rood granulatieweefsel?
A
Inflammatiefase
B
Granulatiefase
C
Remodelleringsfase
D
Necrosefase

Slide 26 - Quizvraag

18. Een gecontamineerde wonde betekent dat…
A
Er altijd een infectie aanwezig is
B
Er micro-organismen aanwezig zijn zonder schade
C
Er pus en roodheid rond de wondrand zijn
D
Er een systemische reactie aanwezig is (koorts, CRP stijging)

Slide 27 - Quizvraag

19. Een lokale wondinfectie herken je aan…
A
Alleen de aanwezigheid van bacteriën
B
Pus, roodheid en pijn ter hoogte van de wond
C
Alleen kolonisatie zonder weefselreactie
D
Koorts en algemene malaise

Slide 28 - Quizvraag

20. Wanneer is ontsmetten van een wonde wél aangewezen?
A
Bij elke wonde, ook zonder infectie
B
Enkel bij wondkolonisatie zonder risico’s
C
Bij verhoogd risico door zorgvrager-, wond- of omgevingsfactoren
D
Nooit, enkel reinigen is voldoende

Slide 29 - Quizvraag

21. Te veel wondvocht kan leiden tot…
A
Versnelde epithelialisatie
B
Eiwitverlies en vertraagde heling
C
Verminderde bacteriële groei
D
Verhoogde collageenproductie

Slide 30 - Quizvraag

22. Te Weinig wondvocht veroorzaakt...
A
Vochtige wondheling en sneller herstel
B
Korstvorming en toename littekenweefsel
C
Verminderde korstvorming en vertraagde genezing
D
Vertraagde littekenvorming

Slide 31 - Quizvraag

23. Wat kan epithelialisatie vanuit wondranden belemmeren?
A
Goede hydratatie
B
Necrotisch weefsel of maceratie
C
Collageenaanmaak
D
Voldoende wondvocht

Slide 32 - Quizvraag

24. Waarom geneest een wonde trager bij ouderen?
A
Snellere wondcontractie
B
Efficiënter immuunsysteem
C
Verminderde bindweefselkwaliteit en tragere ontstekingsfase
D
Hogere collageenproductie

Slide 33 - Quizvraag

25. Welk geneesmiddel kan collageenaanmaak verstoren en zo wondheling vertragen?
A
Anticoagulantia
B
Corticosteroïden
C
Antibiotica
D
Paracetamol

Slide 34 - Quizvraag

26. Weetje : Hoe zwaar is de huid?
A
2-4kg
B
3-5kg
C
1-2kg
D
4-6kg

Slide 35 - Quizvraag

TOILETPOT gaat naar.....

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Subcutis
Epidermis
Dermis

Slide 43 - Sleepvraag

Epidermis


Dermis

Hypodermis

geen bloedvaten


vorming van epitheelcellen

absorbeert UV straling
of cutis
bevat zweet/talgklieren
vorming van collageen- en elastische 
vezels
of subcutis
Bevat vetweefsel

Slide 44 - Sleepvraag

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Tekstslide

Slide 50 - Tekstslide

Slide 51 - Tekstslide

Slide 52 - Tekstslide

Slide 53 - Tekstslide

Slide 54 - Tekstslide

Slide 55 - Tekstslide

Slide 56 - Tekstslide

Slide 57 - Tekstslide

Slide 58 - Tekstslide

Slide 59 - Tekstslide

Littekenweefsel/bindweefsel mag in de zon.
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 60 - Quizvraag

Littekenweefsel/bindweefsel vervangt de gekwetste diepere weefsellagen (dermis) en is minder elastisch/rekbaar dan gezonde huid.
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 61 - Quizvraag

Vorming van definitief litteken kan 6 maanden tot 2 jaar in beslag nemen
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 62 - Quizvraag

Slide 63 - Tekstslide

Slide 64 - Tekstslide

Slide 65 - Tekstslide

Slide 66 - Tekstslide

Slide 67 - Tekstslide

Slide 68 - Tekstslide

Slide 69 - Tekstslide