word order

WORD ORDER
woordvolgorde
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

WORD ORDER
woordvolgorde

Slide 1 - Tekstslide

Wie doet wat waar wanneer?
         ow              ww                lv             plaats                    tijd

Slide 2 - Tekstslide

Stappenplan 1:
1. onderwerp                         WIE
2. werkwoord(en)               DOET
3. lijdend voorwerp            WAT
4. plaats                                  WAAR
5. tijd                                        WANNEER

Slide 3 - Tekstslide

Stappenplan 2:
1. tijd                                        WANNEER
2. onderwerp                       WIE
3. werkwoord(en)               DOET
4. lijdend voorwerp            WAT
5. plaats                                  WAAR
De tijd kan ook aan het begin van de zin worden gezet. Maar meer kans op fouten!

Slide 4 - Tekstslide

Handigheidje:
P v T
Plaats voor Tijd
de P komt voor de T in het alfabet

I saw him at the office this morning.
We are going to Ibiza next year.
She eats an apple at school every day.

Slide 5 - Tekstslide

Tijd (wanneer) kan ook aan het begin van de zin:
voor extra nadruk.

Slide 6 - Tekstslide

Shall we meet at 4pm on Monday?

Slide 7 - Tekstslide

Bijwoorden van Frequentie
woorden die aangeven hoe vaak je iets doet

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Waar staan deze woorden in een zin?

Slide 10 - Tekstslide

De bijwoorden van frequentie 
(bv. always, usually, regurlarly, sometimes, rarely, seldom, never) staan voor het werkwoord.

Behalve .............

Slide 11 - Tekstslide

Bij het werkwoord : to be
Am/ are/ is  zetten 
we het bijwoord  achter het werkwoord

He is never late
She was always happy

Slide 12 - Tekstslide

TIP!
Zet de werkwoorden van de zin bij elkaar!

Ik heb gisteren heel veel friet gegeten.
I have eaten a lot of fries yesterday.

Slide 13 - Tekstslide

wie
doet
wat
waar
wanneer
The parents
bring
to football training

every Sunday

their son

Slide 14 - Sleepvraag

Wie
doet
wat
waar
wanneer
Jacky and Pete
aren't going
to the cinema
tonight

Slide 15 - Sleepvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
Doesn't she go in the weekends out?
B
Doesn't she go out in the weekends?

Slide 16 - Quizvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
He swims every day in the canal.
B
He swims in the canal every day.

Slide 17 - Quizvraag

Correct word order:
Billy / to his friend /
five minutes ago / went
A
Billy went to his friend five minutes ago
B
Billy went five minutes ago to his friend
C
Billy five minutes ago went to his friend.
D
Five minutes ago Billy went to his friend

Slide 18 - Quizvraag

Correct word order:
her / in town / yesterday / I / met
A
I met her in town yesterday.
B
I met her yesterday in town.
C
I yesterday met her in town.
D
I met yesterday her in town.

Slide 19 - Quizvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
My sister got married last year.
B
my sister got Last yearmarried.
C
My sister last year got married.

Slide 20 - Quizvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
We are never in a position to complain.
B
We never are in a position to complain.

Slide 21 - Quizvraag

Correct word order:
Billy / to his friend /
five minutes ago / went
A
Billy went to his friend five minutes ago
B
Billy went five minutes ago to his friend
C
Billy five minutes ago went to his friend.
D
Five minutes ago Billy went to his friend

Slide 22 - Quizvraag

a parking place / near the shops / they / find / rarely

Slide 23 - Open vraag

sometimes / in a garage / Mr Hodges / his car / parks

Slide 24 - Open vraag

often / have / a cup of tea / they / at the hotel / in the afternoon

Slide 25 - Open vraag

enjoys / swimming / in our pool / in the morning / she


Slide 26 - Open vraag

Slide 27 - Link

Slide 28 - Link