Unit 3.4 - Adjectives and adverbs

Use future with "Present Simple": (hele ww zonder to/ bij she/he/it +S)
- Dingen die volgens een vaste tijdsplanning verlopen (bijvoorbeeld een dienstregeling of een rooster).


Je gebruikt de present simple ook:
- om aan te geven dat iets vaker voorkomt (of nooit) of een gewoonte is
- bij werkwoorden die iets te maken hebben met de zintuigen (smell, taste, sound etc)
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Use future with "Present Simple": (hele ww zonder to/ bij she/he/it +S)
- Dingen die volgens een vaste tijdsplanning verlopen (bijvoorbeeld een dienstregeling of een rooster).


Je gebruikt de present simple ook:
- om aan te geven dat iets vaker voorkomt (of nooit) of een gewoonte is
- bij werkwoorden die iets te maken hebben met de zintuigen (smell, taste, sound etc)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reading Time
timer
15:00

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Unit 3 Lesson 4
Learning targets
Reading
Words about art
Grammar: Adjectives and adverbs

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Unit 3 Lesson 4 
Words about art Page 137-138
Take 10 minutes to study words and do exercice 2 and 5 
In silence
timer
10:00

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Adjectives/adverbs

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives / Adverbs

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives - bijvoeglijk naamwoord
  • Zeggen altijd iets over een zelfst. naamw.  
Bv. A Beautiful day/a green book/an irritating song 

Just learn by heart. 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adverbs - say someting about
  1. Verbs> How things are done
    The children protested loudly (adj =loud > adv = Loudly)
  2. Adjectives> It is terribly dark
  3. Another adverb> They acted very angrily
  4. The entire sentence > Luckily, we were right on time. 

    Basically about anything but nouns (bijwoord)

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

How are they made?




Plaats y/ly achter een adjective. Some verandert er iets aan de spelling.
Sure-surely
Quick quickly
beautiful-beautifully
easy-easily
probable-probably
realistic - realistically



Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives refer to:
Examples: big, fast, blue
Adverbs refer to:
Examples: quickly, very, often
Nouns
Verbs
Adjectives
Adverbs

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Adverbs
Adjectives
Adverb or Adjective?

Magnificent
Never
Heroic
Always
Sadly
Bad
Amazingly
Horrible
Terribly

Slide 12 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives and Adverbs
Adjective = bijv. naamw.
Adverb = bijwoord
gently
beautiful
good
understandable
beautifully
usually
well
poor
gentle
alive

Slide 13 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives and adverbs
She skates ....
A
fastly
B
fast

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives & adverbs: The coffee is ....
A
bad
B
badly

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives and adverbs
It tastes ....
A
good
B
well

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Homework - Next lesson
Unit 3 - Lesson 4
2, 5 7, 8, 9, 11 (in notebook)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Part 2

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reading Time
timer
15:00

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Unit 3 Lesson 4

Learning targets
Focus today: Reading
Words about art
Grammar: Adjectives and adverbs
Review:
Adjectives & adverbs
The future

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4 vormen van de future:
  • Will
  • To be going to
  • Present continuous
  • present simple 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Will + hele ww

Examples:
- I will bring you home after the party.
- I will go swimming if the sun shines tomorrow.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

To be (am/is/are) going to + hele ww

Examples:
- I am going to visit my grandparents tomorrow.
- Look outside! It is going to rain!

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Use future with "to be going to":
- Als je iets van plan bent
- Voorspellingen waar je bewijs voor hebt

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Use future with "Present Continuous" (am/is/are + ww + ing):
- er is al een afspraak is gemaakt/iets is vastgelegd.
- iets gaat binnenkort gebeuren (nabije toekomst).

Behalve voor de toekomst gebruik je de present continuous ook om:
- aan te geven dat iets NU aan de gang is
- aan te geven dat iets IRRITANT is (you are always picking your nose)

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

The Future

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk vorm van de future gebruik je bij dingen die je van plan bent?
A
will / won't
B
to be going to
C
present continuous
D
present simple

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk vorm van de Future gebruik je bij afspraken die al gepland staan in de nabije toekomst?
A
will / won't
B
to be going to
C
present continuous
D
present simple

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

FUTURE Hopefully, I ........ my grammar test.
A
am passing
B
will pass
C
would pass
D
am going to pass

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

FUTURE My bus is delayed.
I ...... too late at the airport.
A
am
B
will be
C
am going to be
D
shall be

Slide 31 - Quizvraag

Vanwege de vertraging van je bus heb je nu aanleiding om aan te nemen dat je te laat gaat komen.
FUTURE What would you like to eat?
> I ..... a sandwich, please.
A
will have
B
have
C
am going to have
D
should have

Slide 32 - Quizvraag

Het is een beslissing die je op dit moment maakt. Daarbij hoort het gebruik van will.
FUTURE My friends and I ........... Glastonbury festival this Friday.
A
will go to
B
are going to
C
shall go to
D
go to

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

FUTURE Which sentence fits best?
A
I think it is going to rain in a couple of minutes.
B
It looks as if it is going to rain soon.
C
It is raining in 5 minutes.
D
It rains every day.

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

FUTURE Choose the correct answer.
I have to go now. The course _____ at eight o'clock.
A
will start
B
starts

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Unit 3 Lesson 4
Reading exercise: 1, ,3, 4, 6, 11 (in notebook)
timer
15:00

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Homework - Next lesson
Unit 3 - Lesson 4
Study words lesson 4 + 5
Ex. 1 till 11 (skip 10)
11 (in notebook)

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies