Herhaling Woordenschat H1, H2 en H3 3F ed 2

WELKOM
3 Kader
Welkom bij Nederlands!

1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

WELKOM
3 Kader
Welkom bij Nederlands!

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Terugblik vorige les
  • Herhaling Woordenschat H1, H2 en H3. 

Slide 2 - Tekstslide

Aan de slag!
  • Maak de instaptoets van woordenschat H1 online! 

Slide 3 - Tekstslide

  • Maak extra opdracht 1 van par. 1.1 betekenis afleiden uit de tekst. 
timer
4:00

Slide 4 - Tekstslide

Herhaling Woordenschat H1
  • Je leidt de betekenis van een onbekend woord af uit de tekst waarin dit woord wordt gebruikt.
  • synoniem
  • omschrijving
  • tegenstelling
  • voorbeeld 

Slide 5 - Tekstslide

1.2
  • Je leidt de betekenis van een woord af uit het woord zelf.
  • Is het woord samengesteld uit verschillende woorden waarvan je de betekenis wel kent?
  • Staan er voor- of achtervoegsels bij het woord dat je kent?
  • Lijkt het woord op een woord dat je wel kent?

Slide 6 - Tekstslide

1.3 
  • Je herkent en begrijpt figuurlijk taalgebruik.

  • Figuurlijk taalgebruik: er wordt iets anders bedoeld dan dat er staat.
  • Uitdrukkingen zijn altijd figuurlijk bedoeld. 

Slide 7 - Tekstslide

  • Maak extra opdracht 2 par. 1.2 betekenis afleiden uit het woord.
  •  Maak extra opdracht 2 par. 1.3 figuurlijk taalgebruik
timer
6:00

Slide 8 - Tekstslide

Hoofdstuk 2 Woordenschat
  • Je kunt snel en doelgericht een woord opzoeken in het woordenboek.
  • Je kiest in het woordenboek de juiste betekenis van een woord.
  • Je gebruikt informatie over schrijfwijze, uitspraak en extra's uit het woordenboek.
  • Je weet welke woordenboeken je online kunt gebruiken.

Slide 9 - Tekstslide

Hoofdstuk 3 Woordenschat
  • Je gebruikt verschillende manieren om moeilijke woorden te onthouden (synoniemen, antoniemen, associaties).
  • Je herkent en begrijpt studietaalwoorden (instructiewoorden: verklaren, definiëren, demonstreren).
  • Je herkent en begrijpt vaktaalwoorden en -uitdrukkingen (vaktaal/vakjargon) 

Slide 10 - Tekstslide

Noem vijf studietaalwoorden.

Slide 11 - Open vraag

Noem vijf vaktaalwoorden.

Slide 12 - Open vraag