semana 37

Buenos días

¿Qué vamos a hacer?

  • describir objeto
semana 37
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Buenos días

¿Qué vamos a hacer?

  • describir objeto
semana 37

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  1. Ik kan dingen omschrijven (hoe ze zijn, waarvan ze zijn gemaakt en waarvoor ze dienen).

Slide 2 - Tekstslide

bewaren
het seizoen
een doos
passen
de laptop
een cadeau
opgeruimd/netjes
caber
guardar
una caja
un regalo
el portátil
ordenado
la temporada

Slide 3 - Sleepvraag

groot
hard
zacht
rechthoekig
klein
rond
vierkant
rectangular
grande
blando
redondo
pequeño
cuadrado
duro

Slide 4 - Sleepvraag

duro
redondo
cuadrado
blando
pequeño
rectangular
grande

Slide 5 - Sleepvraag

grande
duro
blando
rectangular
pequeño
redondo
cuadrado
zacht
vierkant
klein
rond
rechthoekig
hard
groot

Slide 6 - Sleepvraag

madera
papel
plástico
cristal
cuero
metal

Slide 7 - Sleepvraag

papel
metal
cristal
cuero
madera
plástico
papier
glas
leer
hout
plastic
metaal

Slide 8 - Sleepvraag

Forma/dimensión/
consistencia
¿Cómo es? Es...
grande 
pequeño 
cuadrado 
redondo 
rectangular 
blando 
duro 
Vorm/afmeting/samenhang

Hoe ziet het eruit? Het is...
groot
klein
vierkant
rond
rechthoekig
zacht
hard
Describir objetos
librito p. 18/19

Slide 9 - Tekstslide

Material
¿De qué es? Es de.....

plástico
metal 
cristal 
cuero 
madera 
papel
....
Materiaal:
Waar is het van gemaakt? Het is van....
plastic
metaal
glas
leer
hout
papier
.....
Describir objetos
librito p. 18/19

Slide 10 - Tekstslide

El uso/ het gebruik
gebruik, waarvoor dient het
¿Para qué sirve?        Waar dient het voor?
¿Para qué se usa?     Waar wordt het voor gebruikt?

Sirve para ....                Het dient om/voor....
Se usa para....              Het wordt gebruikt voor....
librito p. 18/19
Describir objetos

Slide 11 - Tekstslide

Un globo
Es + bijvoeglijknaamwoord (vorm/afmeting/samenhang)  
= es redondo

Es de + materiaal = es de plástico

Se usa para/ Sirve para  + heel werkwoord = se usa para 
jugar
LA p. 18
Describir objetos

Slide 12 - Tekstslide

Ejemplos:
  • Es pequeño y duro. Es de plástico y de metal y se usa para escribir.

  • Es rectangular, es de plástico o metal y de cristal. No es muy grande. Se usa para llamar. 

  • Es rectangular, es de papel, se usa para leer.
Bolígrafo
móvil
libro
LA p. 18

Slide 13 - Tekstslide

Describir objetos

HACEMOS TAREA 1 y 2
pista 5
LA p. 18 
Leerdoel: voorwerpen beschrijven

Slide 14 - Tekstslide

Leerdoelen
  1. Ik kan dingen omschrijven (hoe ze zijn, waarvan ze zijn gemaakt en waarvoor ze dienen).
  2. Ik kan vergelijkingen maken.

Slide 15 - Tekstslide

Curiosidad de la semana

Slide 16 - Tekstslide

Voy al chino

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

4

Slide 19 - Video

00:14
Wat betekent "leche"?
A
melk
B
drinken
C
glas

Slide 20 - Quizvraag

00:23
Wat betekent "más"?

Slide 21 - Open vraag

00:29
Wat betekent "menos"?

Slide 22 - Open vraag

01:08
Wat betekent "igual" ?
A
meer
B
minder
C
evenveel/hetzelfde
D
zoveel

Slide 23 - Quizvraag

Para comparar....
Vergelijkingen met een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord:
más ....que      --> Julián es más rápido que Pedro.
                            Julián is sneller dan Pedro.
menos....que  --> Pedro camina menos rápido que Julián.                                    Pedro loopt minder snel dan Julián.
tan....como     -->Julián es tan divertido como Pedro.
                            Julián is even leuk als Pedro.
LA p. 34/35

Slide 24 - Tekstslide

Para comparar....
Vergelijkingen met een zelfstandig naamwoord  
  • más.....que      --> Paco tiene más tiempo libre que Pedro.
                                 Paco heeft meer vrije tijd dan Pedro.
  • menos....que  --> Pedro tiene menos tiempo libre que Paco
                                 Pedro heeft minder vrije tijd dan Paco
  • tanto/a/os/as....como     --> Paco tiene tanto tiempo libre como Julián.                                     Paco heeft evenveel vrije tijd als Julián
                                              
LA p. 34/35

Slide 25 - Tekstslide

Para comparar....
Vergelijkingen met een werkwoord:
....más que        --> Paco trabaja más que Carmen.
                               Paco werkt harder dan Carmen.
....menos que    --> Carmen trabaja menos que Paco.
                               Carmen werkt minder hard dan Paco.
...tanto como    --> Lola trabaja tanto como Paco.
                               Lola werkt even hard als Paco.
LA p. 34/35

Slide 26 - Tekstslide

comparativos irregulares
  • más bueno   --> mejor
  • más malo      --> peor
  • grande --> más grande (letterlijk groter)
  • grande --> mayor (ouder) -  Mi hermana es mayor que yo.
  • pequeño --> más pequeño (letterlijk kleiner)
  • pequeño --> menor (jonger) - Mi amigo es menor que él. 
LA p. 34/35

Slide 27 - Tekstslide

comparativos irregulares
Let dus op!
  • Bij vergelijkingen met bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord komt het bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord in het midden van de vergelijking te staan. En hierbij gebruik je que.

  • Bij werkwoorden komt het vóór de vergelijking te staan. en hierbij gebruik je como.

  • tanto past zich aan aan het zelfstandig naamwoord als deze er direct achter staat. 

LA p. 34/35

Slide 28 - Tekstslide

Speedy Gonzalez es
menos rápido que
Flash
A
verdadero
B
falso

Slide 29 - Quizvraag

Messi es menor
que Piqué
A
verdadero
B
falso

Slide 30 - Quizvraag

El monstruo de galletas
es tan gordo como Beto.
A
verdadero
B
falso

Slide 31 - Quizvraag

Rosalía es más
guapa
que Shakira.
A
verdadero
B
falso

Slide 32 - Quizvraag

Gargamel es más
grande que
el pitufo.
A
verdadero
B
falso

Slide 33 - Quizvraag

Slide 34 - Link

Describir objetos
Leerdoel: voorwerpen beschrijven

Slide 35 - Tekstslide

Un juego..
Haz 2 descripciones.
Tus compañeros van a adivinar qué objeto es. 
timer
7:00

Slide 36 - Tekstslide

Los deberes

  • Maken LA p.17 ej. 4 y 5
           p.16 ej, 1 
        LE 1.1, 1.2, 1.3, 1.4

  • Leren woorden blok 1.1 y 1.2
Unidad 1

Slide 37 - Tekstslide