H4 Formuleren verwijswoorden

Programma
Uitleg programma deze week (zie Teams bestanden)
(Als je thuis werkt: bekijk de planning, maak H4 woordenschat en spelling. Een instructieblad staat in Teams bestanden. Vragen stel je in de chat!) 
H4 Lezen afronden
Uitleg H4 Formuleren en maken opdrachten
Uitleg grammatica
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Programma
Uitleg programma deze week (zie Teams bestanden)
(Als je thuis werkt: bekijk de planning, maak H4 woordenschat en spelling. Een instructieblad staat in Teams bestanden. Vragen stel je in de chat!) 
H4 Lezen afronden
Uitleg H4 Formuleren en maken opdrachten
Uitleg grammatica

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen

Algemeen: Je kunt de verwijswoorden gebruiken die passen bij het woordgeslacht (m, v, o).



Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden
ken je? (H2)

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

H2: verwijswoorden


de-woorden: verwijs met deze of die



het-woorden: verwijs met dit of dat

de-woorden en het-woorden
Deze deur is op slot, maar die is wel open.
(de deur)
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
(het paard)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord wordt in deze tekst vaak herhaald?


Schatzoeken in je vrije tijd

Schatzoeken blijft een aparte hobby. Toch kan het de moeite waard zijn. Schatzoeker Eric Schmitt vond vorig weekend een echte schat. De schat lag in een scheepswrak bij Florida. De schat bestaat uit 51 gouden munten en 40 gouden kettingen en de waarde van de schat wordt geschat op een miljoen dollar. Wel moet de schatzoeker 20 procent van de waarde van de schat afstaan aan de staat. 

Slide 6 - Tekstslide

Het woord wordt eerst 1 keer genoemd. Je kunt het daarna 4 keer vervangen. Niet alleen de woorden uit de tabel, je mag breed kijken. 
Theorie
  • Om te voorkomen dat je in een tekst een zelfstandig naamwoord steeds herhaalt, gebruik je verwijswoorden.
  • Een verwijswoord wijst terug naar een woord dat eerder genoemd is.
  • Als je weet waar een verwijswoord naar verwijst, begrijp je de tekst beter.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nieuw: Verwijswoorden


vrouwelijke woorden: verwijs met zij, ze of haar


mannelijke woorden: verwijs met hij, hem of zijn


onzijdige woorden: verwijs met het of zijn

vrouwelijk / mannelijk / onzijdig
Als mijn tante komt logeren, neemt zij haar hondjes mee.
Ben gaat zwemmen en hij neemt zijn duikbril mee.
Het rugbyteam behaalde zijn eerste beker.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hen

  • Lijdend voorwerp
De andere groep werkt vandaag thuis. Ik heb hen (lv) dinsdag nog gezien.

  • Na een voorzetsel
Mijn jongere broertjes wilden graag muziek op hun kamer. Daarom heb ik mijn oude radio aan hen gegeven. 
Hun

  • Bezittelijk voornaamwoord 
  • Meewerkend voorwerp
Mijn jongere broertjes wilden graag muziek op hun kamer. Daarom heb ik hun (mv) mijn oude radio gegeven. 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Geslacht van het woord
Je moet dus kijken wat het geslacht van het woord is:
mannelijk, vrouwelijk of onzijdig.
Je kunt het geslacht in een online woordenboek vinden.

(Er zijn wel regels voor het bepalen van het woordgeslacht.)

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onzijdig
  • woorden waar je "het" voor kunt zetten
  • verkleinwoorden (het huisje, het katje)
  • zelfstandige naamwoorden die beginnen met ge-, be-, ont- + stam van het werkwoord (gezeur, beroep)
  • landen en steden

  • Als een het-woord verwijst naar een vrouwelijk wezen, vb. het meisje, gebruiken we zij of haar  en niet het of zijn. Wel blijft: dit, dat. 
vb. Het meisje, dat daar liep, droeg een pop in haar tas. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mannelijk of vrouwelijk?
Vrouwelijk: namen van vrouwelijke personen of dierennamen die altijd het vrouwelijk dier aanduiden: wolvin (v), lerares (v)

 
Mannelijk: namen van mannelijke personen en dierennamen die altijd het mannelijk dier aanduiden: stier (m), marktkoopman (m)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden
Verwijswoorden kunnen verwijzen naar:
  • Een woord
  • Een groepje woorden
  • Een hele zin

Dat waar het verwijswoord naar verwijst noem je het antecedent.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antecedent en verwijswoord
De discotheek heeft al haar sponsors uitgenodigd voor een danceparty. 

Antecedent = de discotheek
haar = verwijswoord

Antecedent: personen, dingen, plaatsen, tijdstippen.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Maak startopdracht
Lezen Groene theorie p. 122
Maak opdracht 1, 2, 3, 4

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een antecedent?

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Mannelijk 
vrouwelijk
onzijdig
de man
de gevangenis
Hera
wetenschap
Maurice
de stier
het huis

Slide 20 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel behaald? Ik weet wat een verwijswoord is.
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel behaald? Ik weet wat een antecedent is.
A
Ja
B
Nee

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel behaald? Ik weet welke vraag ik moet stellen om het antecedent te vinden.
A
Ja
B
Nee

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

vrouwelijk

De- woorden met deze uitgangen zijn altijd vrouwelijk:
waarheid                   regeling               - te               - teit
ergernis                     liefde                - uur
kunst                        - ie                  - iek
beterschap               - theek

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden 'hen' & 'hun'
  • Je gebruikt hen als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Het verwijswoord hun gebruik je als meewerkend voorwerp.

Rob en Maurice zouden eergisteren op vakantie gaan. Toch heb ik hen (lv) nog gezien. 

Wat (of soms wie) heb ik gezien? = hen

Mijn jongere broertjes wilden graag muziek op hun kamer. Daarom heb ik hun(mv) mijn oude radio gegeven. 

Aan of  voor wie heb ik mijn oude radio gegeven? = hun

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies