H3 23/2/2022

En route!
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

En route!

Slide 1 - Tekstslide

Afronding chapitre 3
- Normaal gesproken SO voor +1 op de toets
- Alternatieve opdracht: tâche blz. 128 van je boek

Presenteer een vakantieverblijf (mondeling of schriftelijk)

Slide 2 - Tekstslide

Ik maak liever een...
SO
Alternatieve opdracht

Slide 3 - Poll

Au programme aujourd'hui
- Afronding chapitre 3

- Herhaling

Slide 4 - Tekstslide

doel
Ik kan de woorden en zinnen die te maken hebben met 'reizen' correct vertalen (NF/FN) 

Slide 5 - Tekstslide

Vertaal de woorden:
(In het voorjaar) ______________, on va à la mer.
A
en hiver
B
au printemps
C
en été
D
en automne

Slide 6 - Quizvraag

Vertaal de woorden:
Je parle déjà un peu (Arabisch) ______________.
A
l'arabique
B
l'arabasque
C
l'arabe
D
l'arabesque

Slide 7 - Quizvraag

Aujourd'hui, on va ___________ mes grands-parents.
On prend le train à _____________ centrale de Lyon
L'heure de _____________ est à midi
Mes grands-parents habitent dans _____________ calme de Paris
Ils habitent ________________ restaurant de mon oncle
la gare
un quartier
départ
en face du
rendre visite à

Slide 8 - Sleepvraag

Tu vas où? 
(geef bestemming én vervoermiddel)

Slide 9 - Tekstslide

Tu vas où? (geef antwoord met bestemming én vervoermiddel)

Slide 10 - Open vraag

doel
Ik kan van leesteksten (A2-niveau) over 'reizen' de belangrijkste informatie benoemen  

Slide 11 - Tekstslide

Wanneer kwam Sébastien op het idee om fotograaf te worden? 

Slide 12 - Tekstslide

Wanneer kwam Sébastien op het idee om fotograaf te worden?
A
Toen hij fotografen bij een atletiektoernooi zag.
B
Toen hij een fotograaf bij een voetbalwedstrijd zag.
C
Toen hij foto’s van de Tour de France maakte.

Slide 13 - Quizvraag

doel
Ik kan de passé composé met het juiste hulpwerkwoord correct gebruiken voor de regelmatige werkwoorden -er, -ir, -re en de onregelmatige werkwoorden avoir, être, faire en prendre 

Slide 14 - Tekstslide

Vervoeg de regelmatige werkwoorden in de p.c. (avoir = hulpww)
Tu (passer) _____ _______ tes vacances en France?

Slide 15 - Open vraag

Vervoeg de regelmatige werkwoorden in de p.c. (être = hulpww)
Ma soeur (aller) _____ _______ avec nous.

Slide 16 - Open vraag

Vervoeg de onregelmatige werkwoorden in de p.c. (avoir = hulpww)
Je/ j' (être) _________ ____________ en Suisse pendant les vacances

Slide 17 - Open vraag

Au travail: 
les devoirs 
Faire: 
  • afronden: les exercices A t/m G

Apprendre: 
  • A, B, C, D, E et H du chapitre 3

Slide 18 - Tekstslide

Doel bereikt?
Ik kan de woorden en zinnen die te maken hebben met 'reizen' correct vertalen (NF/FN) 

Ik kan van leesteksten (A2-niveau) over 'reizen' de belangrijkste informatie benoemen  

Ik kan de passé composé met het juiste hulpwerkwoord correct gebruiken voor de regelmatige werkwoorden -er, -ir, -re en de onregelmatige werkwoorden avoir, être, faire en prendre 

Slide 19 - Tekstslide

Ik beheers deze doelen
😒🙁😐🙂😃

Slide 20 - Poll

Au revoir!

Slide 21 - Tekstslide