Communicatie les 3: referentiekader

Canvas 2.4 en 2.5 
Liedjes
NIVEA, LSD, OMA, KOE, DIK, HELD 
 referentiekader
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
CommunicatieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Canvas 2.4 en 2.5 
Liedjes
NIVEA, LSD, OMA, KOE, DIK, HELD 
 referentiekader

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hulpmiddelen om gesprek te voeren

  1. LSD: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen
  2. OMA: Oordelen, meningen, aannames
  3. HELD: Herkennen, Erkennen, Loslaten Doorgaan
  4. ANNA: Altijd Navragen, Nooit Aannemen
  5. DIK: Denk in Kwaliteiten of Kansen
  6. NIVEA: Niet Invullen Voor Een Ander
  7. KOE: Kaken Op Elkaar




Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Ieder schrijft voor zichzelf een korte situatie op, waarbij bovenstaande hulpmiddelen juist wel of juist niet goed zijn toegepast.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

canvas 2.5
Referentiekader

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Door welke bril kijk jij?

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Referentiekader
Het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit iemand denkt en handelt.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Referentiekader
  • Je interpretatie van een boodschap wordt bepaald door je referentiekader:
    persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaring. Het bepaalt de manier waarop je tegen gebeurtenissen aankijkt. 
  • Jouw referentiekader wijkt af van dat van anderen, dus dat kan ervoor zorgen dat je boodschappen anders opvat dan ze bedoeld zijn.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Slide 11 - Open vraag

Wat je ziet, heeft te maken met je referentiekader; met de manier waarop je naar dingen kijkt

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.Wat betekent referentiekader?
A
De normen en waarden die je zelf kent en gebruikt
B
Een voorbeeld uit je leven
C
Een rolemodel (voorbeeldpersoon)
D
Een les uit je leven.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Referentiekader
  • Waarden, normen
  • Opvoeding
  • Leefsituatie
  • Je werk
  • De media
  • Je vrienden
  • Hoe je geleerd hebt met elkaar om te gaan

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

referentiekader
Jou referentiekader bepaalt hoe je over dingen denkt.
Wat vinden jullie van:
- Vuurwerk
- Honden
- Wonen in de stad
- Merk kleding
- Kleine kinderen met een smartphone

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening referentiekader:
Zoek bij de volgende emoties een afbeelding die jou aanspreekt
1. vrolijk
2. verdrietig
3. verbaasd
4. geïrriteerd
Vergelijk de afbeeldingen met je subgroepje

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Selectieve perceptie en referentiekader
Selectieve perceptie is het bewust of onbewust keuzes maken bij het waarnemen. Waar kijk ik wel naar, en waar geef ik geen aandacht aan? Ook bij verpleegkundigen speelt dit een rol, voornamelijk door hun referentiekader = alle persoonlijke waarden, normen, belangen, meningen en ervaringen.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht in subgroep
- Bedenk een persoon die jullie best wel goed kennen.
- Bedenk nu een probleem of lastige situatie waar jij onlangs tegenaan bent gelopen?
a. Hoe zou de persoon in deze situatie reageren?
b. Hoe pakt de door jullie gekozen persoon problemen aan?

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies