8 jan: herhaling (les 12, 13, 14, 17, 18)

Welkom klas!

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Welkom klas!

Slide 1 - Tekstslide

Op tafel:
- Map > neem een leeg vel.
- pen

Jullie werken vandaag in groepjes, dus ga zitten naast iemand met wie je goed samenwerkt.
Welkom klas!
timer
2:30

Slide 2 - Tekstslide

Vandaag maandag 8 januari: 
  • Herhaling termen/lessen 12, 13, 14, 17 en 18 voor PTO2


Deze week:
  • Dinsdag: Les 5 & 6 stijlfiguren
  • Vrijdag: Les 25 & 26 fictie = boekopdracht (in les aan werken)






Slide 3 - Tekstslide

Aantekeningen maken
  1. Neem een leeg vel uit je map. 
  2. Schrijf alleen de termen/begrippen op.
  3. Bedenk eerst wat je al weet van dit begrip. 
  4. Niet terugkijken naar je aantekeningen!
  5. Schrijf op wat je weet. 

Slide 4 - Tekstslide

Termen PTO:
Termen die je moet kennen én moet gebruiken:

  • Standpunt
  • Stelling
  • Argument
  • Weerlegging

timer
3:00

Slide 5 - Tekstslide

Termen PTO
Standpunt: iets dat je vindt.
>> Ik vind dat de Nederlandse jeugd het zwaar heeft.
Stelling:
>> De Nederlandse jeugd heeft het zwaar.

Let op: geen vraagzin maken! 
Fout voorbeeld: Heeft de Nederlandse jeugd het zwaar?


Slide 6 - Tekstslide

Termen PTO
Argument/reden: hiermee onderbouw je je mening/standpunt.
Herken je aan: want, doordat, omdat, ten eerste, tot slot.
Voorargumenten vs. tegenargumenten

Weerlegging
= Bewijzen dat iets (= argument) niet klopt.
= Tegen het tegenargument zijn + argumenten

Slide 7 - Tekstslide

Termen PTO
Feitelijke uitspraak
Niet-feitelijke uitspraak
Kritische lezer

timer
3:00

Slide 8 - Tekstslide

Termen PTO
Feitelijke uitspraak: je kunt controleren of het klopt.
Niet-feitelijke uitspraak: je kunt niet bewijzen dat het klopt.
Kritische lezer: controleert of iets klopt. Gebruikt meerdere bronnen.
vs. niet-kritische lezer: die neemt alles aan voor waarheid. 

Slide 9 - Tekstslide

De niet-kritische lezer denkt niet goed na en neemt alles aan als waarheid:

Slide 10 - Tekstslide

Termen PTO
Enkelvoudige argumentatie
Meervoudige argumentatie



timer
3:00

Slide 11 - Tekstslide

Termen PTO
Enkelvoudige argumentatie:

Standpunt/mening - argument 1
Meervoudige argumentatie
Standpunt/mening - argument 1 - argument 2 - argument 3



Slide 12 - Tekstslide

Termen PTO
Een debat*
Een betoog

*Je hoeft de verschillende soorten debatten niet te kennen voor dit PTO. Je moet wel het verschil tussen een debat en betoog weten.



timer
3:00

Slide 13 - Tekstslide

Termen PTO
Een debat: een gesprek over een onderwerp waarover de deelnemers het oneens zijn. 
Tijdens een debat wordt het eigen standpunt verdedigd met als doel een derde partij (publiek of voorzitter) te overtuigen. 

Een betoog: een debat op papier (uitgeschreven, maar niet in spreektaal). 






  • Inleiding
  • Kern: argument 1, argument 2, tegenargument + weerlegging, argument 3
  • Slot + uitsmijter

Slide 14 - Tekstslide

Termen PTO
Voor wie is het debat relevant? 
Lokaal, provinciaal, landelijk, internationaal?

Verschillen?



Slide 15 - Tekstslide

Termen PTO
Lokaal, provinciaal, landelijk, internationaal?
  • De tram in Den Haag piept zo veel dat het overlast geeft voor bewoners rond het centrum. 
  • De vliegbelasting moet omhoog, want anders halen we de milieudoelen voor 2040 niet.
  • De dijken langs de Rijn in Utrecht en Noord-Holland zijn niet meer stevig. 



timer
3:00

Slide 16 - Tekstslide

Termen PTO
Lokaal, provinciaal, landelijk, internationaal?
  • De tram in Den Haag piept zo veel dat het overlast geeft voor bewoners rond het centrum. 
  • De vliegbelasting moet omhoog, want anders halen we de milieudoelen voor 2040 niet.
  • De dijken langs de Rijn in Utrecht en Noord-Holland zijn niet meer stevig. 



lokaal probleem
internationaal probleem
provinciaal probleem

Slide 17 - Tekstslide

Termen PTO
Drogredenen




timer
3:00

Slide 18 - Tekstslide

Termen PTO
Drogredenen
een argument dat niet goed onderbouwd is. 

Type 1: Jouw argument telt niet, want jij bent een witte man en de discussie gaat nu over zwarte vrouwen. (persoonlijke aanval)

Type 2: Sinds het verboden is om te appen op te fiets, zijn er minder dodelijke verkeersongevallen geweest. Dus = Appen op de fiets zorgt dus voor veel doden. (onjuiste oorzaak-gevolg). 



Slide 19 - Tekstslide

Leerdoelen les
  1. R
  2. T1
  3. T2
  4. I


Slide 20 - Tekstslide

Begrippen (les 12, 13, 14, 17, 18)
  • Standpunt
  • Stelling
  • Argument
  • Weerlegging
  • Feitelijke uitspraak
  • Niet-feitelijke uitspraak
  • Kritische lezer
  • Enkelvoudige argumentatie
  • Meervoudige argumentatie
  • Een debat
  • Een betoog
  • Relevantie: Lokaal, provinciaal, landelijk, internationaal
  • Drogredenen

Slide 21 - Tekstslide


Schrijf 3 dingen op die
je deze les hebt geleerd.

Slide 22 - Open vraag


Stel 1 vraag over iets wat je
deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 23 - Open vraag